COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam], te [plaats], appellant,
de staatssecretaris van Economische Zaken, (de staatssecretaris),
uitspraak
zaaknummer: 12/498
16005
Uitspraak van de meervoudige kamer van 12 november 2014 op het hoger beroep van:
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 april 2012 in het geding tussen appellant
en
gemachtigde van appellant: P.J. Houtsma;
gemachtigde van de staatssecretaris: mr. B. Raven.
Procesverloop in hoger beroep
Bij tussenuitspraak van 11 juni 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:227) heeft het College de staatssecretaris opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak het besluit van 19 juli 2011 te herstellen.
Bij brief van 23 juli 2014 heeft de staatssecretaris aan het College een nieuwe berekening gestuurd naar aanleiding van de tussenuitspraak.
Bij brief van 11 augustus 2014 heeft appellant zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.
Bij brief van 20 augustus 2014 heeft het College aan partijen meegedeeld dat het College het onderzoek heeft gesloten.
De beoordeling van het geschil in hoger beroep
In de tussenuitspraak heeft het College geoordeeld dat de staatsecretaris bij het opleggen van de bestuurlijke boete wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw) ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een deel van de bij appellant in 2008 in gebruik zijnde percelen. Daarnaast had de staatssecretaris bij het voerverbruik, op grond waarvan een deel van de mestproductie is berekend, moeten meewegen dat er vanaf oktober 2008 geen rosékalveren meer werden gehouden op het bedrijf van appellant en een deel van de snijmais dus niet aan de rosékalveren kon worden toegerekend.
In het belang van een spoedige beëindiging van het geschil heeft het College aanleiding gezien de staatssecretaris met toepassing van artikel 22, zesde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, zoals deze wet luidde vóór 1 januari 2013, op te dragen het gebrek in het besluit van 19 juli 2011 te herstellen.
Bij brief van 23 juli 2014 heeft de staatssecretaris aan het College medegedeeld dat op grond van de nieuwe berekening, waarbij rekening is gehouden met de tussenuitspraak van het College, geen sprake is van een overschrijding van de gebruiksnormen in 2008. Voor een bestuurlijke boete is daarom geen aanleiding.
In zijn zienswijze over de brief van 23 juli 2014 heeft appellant het College bericht dat hij zich geheel in de inhoud daarvan kan vinden.
Een en ander betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het College zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van appellant gericht tegen het besluit van 19 juli 2011 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Het primaire besluit van 15 december 2010, waarbij wegens overtreding van artikel 7 van de Msw een bestuurlijke boete van € 11.733,- is opgelegd, wordt herroepen.
De staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant in verband met beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep vastgesteld op € 2.922,- op basis van 6 punten - te weten in bezwaar: bezwaarschrift (1), verschijnen ter hoorzitting (1), in beroep: beroepschrift (1), verschijnen ter zitting (1), en in hoger beroep: beroepschrift (1), verschijnen ter zitting (1) - tegen een waarde van € 487,- per punt, waarbij het gewicht van de zaak op 1 (gemiddeld) is bepaald.
Beslissing
Het College:
€ 2.922,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. E. Dijt en mr. M. Munsterman, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2014.
R.R. Winter A.G.J. van Ouwerkerk