COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] B.V., te Eersel, appellante
(gemachtigde: mr. W.P.N. Remie),
appellante en
de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
uitspraak
zaaknummers: 13/754
11219
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2015 op het hoger beroep van:
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 augustus 2013, kenmerk ROT 13/1573, in het geding tussen
(gemachtigde: mr. ing. H.D. Strookman).
Procesverloop in hoger beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 augustus 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:6552).
Verweerder heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2015.
Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voor appellante zijn voorts verschenen [naam 2], bestuurder van appellante, en [naam 3], medewerker van appellante.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Verweerder heeft appellante een bestuurlijke boete van € 6.000,- opgelegd wegens overtreding van artikel 6, derde lid, in verbinding met bijlage I, hoofdstuk I, punten 1 en 2, onder a, van Verordening (EG) nr. 1/2005 (hierna: Transportverordening). De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.
In hoger beroep is – evenals bij de rechtbank – in geschil de vraag of voldoende is vast komen te staan dat sprake was van gewonde, zwakke en zieke dieren, die niet in staat worden geacht te worden vervoerd omdat zij niet in staat waren zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen, zoals bepaald in Bijlage I, Hoofdstuk I, paragraaf 2, onder a bij de Transportverordening.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
De rechtbank heeft uitvoerig, gedetailleerd gemotiveerd waarom zij de toezichthoudende dierenarts Quax heeft gevolgd in het oordeel dat 7 dieren niet geschikt waren voor vervoer. Door deze varkens te vervoeren heeft appellante gehandeld in strijd met artikel 6, derde lid, in verbinding met Bijlage I, Hoofdstuk I, punt 1 en 2, onder a, van de Transportverordening.
Appellanten hebben in hoger beroep geen nadere argumenten aangevoerd die niet reeds in beroep bij de rechtbank zijn ingebracht. Hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd leidt naar het oordeel van het College niet tot een andere conclusie dan die van de rechtbank. Het College onderschrijft het oordeel van de rechtbank volledig en maakt de overwegingen van de rechtbank tot de zijne.
Voor zover appellante zich erop heeft beroepen dat de overtredingen niet aan haar kunnen worden toegerekend overweegt het College dat, nu het vervoeren van vee tot de normale bedrijfsvoering van appellante behoort, de overtredingen in beginsel aan haar kunnen worden toegerekend. Het College wijst hierbij naar vaste jurisprudentie, onder meer naar zijn uitspraak van 17 juni 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:222). Appellante heeft niets aangevoerd waaruit het College kan afleiden dat de overtredingen haar niet kunnen worden toegerekend.
3. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ongegrond. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Dijt, in aanwezigheid van mr. L.C. Bannink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2015.
w.g. E. Dijt w.g. L.C. Bannink