COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 november 2017 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Uitspraak
zaaknummer: 17/1451
en
(gemachtigde: mr. J. Henneveld).
Procesverloop
Bij besluit van 29 juni 2017 (het kostenbesluit) heeft verweerder de kosten van bestuursrechtelijke handhaving bij appellante in rekening gebracht.
Appellante heeft naar aanleiding van dit besluit beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2017.
Appellante is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Het College heeft in het geding tussen partijen op 3 oktober 2017 een tussenuitspraak gedaan.
Bij brief van 16 oktober 2017 heeft verweerder een reactie op deze tussenuitspraak aan het College gezonden. Bij brief van 21 oktober 2017 heeft appellante hierop een zienswijze ingediend.
Het College heeft vervolgens het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.
Overwegingen
1. Voor de geschiedenis en achtergrond van het geschil verwijst het College naar de hierboven genoemde tussenuitspraak van 3 oktober 2017.
2. In deze tussenuitspraak heeft het College geoordeeld dat verweerder de eerder opgelegde last onder bestuursdwang heeft mogen uitvoeren door het in bewaring nemen van het Friese paard van appellante. Voorts heeft het College geen aanknopingspunten gezien om te concluderen dat de kosten hiervan niet op appellante kunnen worden verhaald.
Echter, het College heeft daarbij geoordeeld dat verweerder slechts de kosten gemoeid met het consulteren van een dierenarts ten aanzien van het Friese paard in rekening mocht brengen en niet voor andere ter plaatse aanwezige dieren. Nu verweerder geen kostenspecificaties had overgelegd, kon het door appellante verschuldigde bedrag vanwege de toepassing van bestuursdwang ten aanzien van het Friese paard niet worden vastgesteld. Het kostenbesluit berustte in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het College heeft verweerder in de tussenuitspraak opgedragen dit gebrek te herstellen.
Het College handhaaft hetgeen hij in voornoemde tussenuitspraak heeft overwogen en beslist en overweegt thans het volgende.
Voor zover appellante in haar zienswijze betwist dat verweerder haar Friese paard in bewaring mocht nemen dan wel betoogt dat de kosten hiervan niet bij haar in rekening mogen worden gebracht, overweegt het College dat deze aspecten niet het onderwerp vormen van de door het College gegeven opdracht en de wijze waarop verweerder daaraan uitvoering heeft gegeven. Over deze aspecten is in de tussenuitspraak een eindbeslissing gegeven. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding terug te komen op het oordeel in de tussenuitspraak.
Verweerder heeft in de genoemde brief van 16 oktober 2017 te kennen gegeven dat de desbetreffende dierenartskosten niet nader te specificeren zijn naar de bij het consult door de dierenarts beoordeelde dieren. Verweerder geeft aan het bedrag vanwege dierenartskosten, te weten € 89, 30, niet langer als kosten bij appellante in rekening wil brengen. Verweerder verzoekt het kostenbesluit aldus te lezen dat het door appellante verschuldigde bedrag vanwege het toepassen van bestuursdwang € 1.082, 27 bedraagt.
Dit betekent dat verweerder zich thans op het standpunt stelt dat het kostenbesluit dient te worden gecorrigeerd. Verweerder wenst in het geheel geen kosten vanwege het consult van de dierenarts bij appellante in rekening te brengen. Gelet hierop en hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak is het College van oordeel dat het beroep tegen het kostenbesluit gegrond is en dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Het College ziet daarbij aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het door appellante aan verweerder verschuldigde bedrag aan kosten van de toepassing van bestuursdwang te bepalen op € 1.082, 27 en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde kostenbesluit.
3. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
Het College:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2017.
w.g. J.L. Verbeek w.g. A. Verhoeven