ECLI:NL:CBB:2017:465

ECLI:NL:CBB:2017:465, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13-11-2017, 16/897

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 13-11-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/897
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Gravenhage
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Art. 8:57 Awb Geen vergoeding van in bezwaar gemaakte proceskosten. Niet beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2017 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

uitspraak

zaaknummer: 16/897

5111

(gemachtigde: E.H.J. Peters),

en

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniƫls).

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB de door appellant aangevraagde betalingsrechten voor het jaar 2015 afgewezen.

Bij besluit van 7 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en hem alsnog betalingsrechten toegewezen voor het jaar 2015. Het verzoek van appellant om de door hem in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden heeft verweerder afgewezen.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit digitaal bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaarschrift als beroepschrift naar het College doorgestuurd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2017. Appellant en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het verzoek van appellant om de door hem in bezwaar gemaakte kosten van de door een derde verleende rechtsbijstand afgewezen, omdat hem niet is gebleken dat de gemachtigde van appellant beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Daarbij heeft verweerder overwogen dat uit het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel van het bedrijf van appellants gemachtigde niet blijkt dat er sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

2. Appellant voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte het verzoek om de in bezwaar gemaakte proceskosten te vergoeden heeft afgewezen. Hij stelt dat zijn gemachtigde het digitaal ingediende bezwaarschrift beroepsmatig heeft opgesteld en ondertekend met gebruikmaking van een TAN-code en dat zijn gemachtigde verschillende keren contact heeft gehad met medewerkers van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant uiteengezet dat zijn bedrijf als intermediair activiteiten uitvoert voor agrarische ondernemers, zoals in- en verkoop van productie- en betalingsrechten, ondersteuning of ontzorging van de technische administratie en het geven van advies over de toepassing van wet- en regelgeving. De inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is op deze activiteiten afgestemd. De gemachtigde van appellant stelt dat zijn dienstverleningsactiviteiten en de bijbehorende wet- en regelgeving dusdanig specialistisch zijn geworden, dat er sprake is van deskundige en juridische bijstand. Verder heeft de gemachtigde van appellant gesteld dat hij met zijn klantenportefeuille kan aantonen dat dat er sprake is van meer dan incidentele hulp.

3. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

4. Het College overweegt dat van beroepsmatig verleende rechtsbijstand slechts sprake is indien niet slechts incidenteel rechtshulp wordt verleend en voor die rechtshulp enigerlei vergoeding in rekening wordt gebracht (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF7597. Het verschaffen van rechtsbijstand dient een vast onderdeel te vormen van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte taakuitoefening (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1020).

5. Bij brief van 27 september 2017 heeft het College appellant gewezen op de onder 4 vermelde jurisprudentie. Ook heeft het College appellant verzocht zijn standpunt dat zijn gemachtigde beroepsmatig rechtshulp heeft verleend zo mogelijk met bewijsstukken te onderbouwen. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant geen bewijsstukken overgelegd. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij niet over bewijsstukken beschikt. Hij heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Daarnaast overweegt het College het volgende.

6. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant gesteld dat hij in de afgelopen vijf jaar ongeveer twintig bezwaarprocedures heeft gevoerd en dat hij nu voor de eerste keer een procedure bij het College voert. Daargelaten op welke wijze de werkzaamheden van de gemachtigde van appellant zijn omschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, vindt het College dat het verlenen van rechtshulp daarmee niet meer dan incidenteel heeft plaatsgevonden. Daarmee vormen deze werkzaamheden niet een vast onderdeel van een duurzame, op het vergaren van een inkomen gerichte taakuitoefening. Ook in zoverre voldoet de gemachtigde niet aan de criteria om aangemerkt te worden als een beroepsmatige rechtsbijstandverlener. Ten slotte is het College ter zitting gebleken dat de gemachtigde van appellant in elk geval nu nog niet over voldoende juridische kennis of voldoende juridische ervaring beschikt (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2264). Weliswaar heeft hij enige scholing op juridisch gebied genoten, maar die was niet specifiek gericht op het verlenen van rechtsbijstand.

7. De conclusie is dat op dit moment er nog geen sprake is van beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand. Verweerder heeft daarom terecht geen vergoeding voor de in bezwaar gemaakte proceskosten afgewezen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2017.

w.g. H.B. van Gijn w.g. M.B. van Zantvoort

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. H

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?