COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2017 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats] , appellant,
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
uitspraak
zaaknummer: 16/230
11351
en
(gemachtigde: mr. J.H. Verheul-Verkaik).
Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellant een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van de Wet Dieren.
Bij besluit van 25 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit gedeeltelijk herroepen.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 3] , toezichthouder.
Overwegingen
1. Verweerder heeft de opgelegde en bij het bestreden besluit gehandhaafde last onder bestuursdwang gebaseerd op onderzoek van toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), die het bedrijf van appellant hebben bezocht op 20 juli 2015 en daarvan op 23 juli 2015 een rapport van bevindingen hebben opgemaakt. Bij een hercontrole op 15 januari 2016 is geconstateerd dat appellant heeft voldaan aan de last.
2. Appellant stelt dat hij, ondanks dat hij aan de last heeft voldaan, procesbelang heeft behouden, omdat op grond van dezelfde feiten en overtredingen die aan de last onder bestuursdwang ten grondslag zijn gelegd, een randvoorwaardenkorting is toegepast op zijn betalingsrechten over 2015. Tegen het daarover genomen besluit van 12 mei 2016 heeft appellant bezwaar gemaakt. Daarbij heeft hij verzocht om de behandeling van het bezwaar aan te houden totdat het College uitspraak heeft gedaan op dit beroep , omdat de uitkomst van deze procedure van belang is voor die van de bezwaarprocedure. Appellant stelt dat als het beroep gegrond verklaard wordt, verweerder de randvoorwaardenkorting niet kan handhaven. Voorts vreest appellant dat hem in de procedure tegen de randvoorwaardenkorting de formele rechtskracht van het bestuursdwangbesluit tegengeworpen zal worden. Appellant bestrijdt dat sprake was van overtreding van de Wet dieren.
4. Het College beoordeelt ambtshalve of er procesbelang aanwezig is. Voor de vraag of er (nog) procesbelang bestaat is van belang wat de betrokkene met het rechtsmiddel nastreeft. Het doel dat appellant met het instellen van het rechtsmiddel wil bereiken, moet hij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en dat resultaat moet voor hem feitelijk betekenis hebben. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant heeft voldaan aan de hem opgelegde last onder bestuursdwang. Dit betekent dat appellant met dit beroep niet meer kan bereiken dat verweerder geen uitvoering geeft aan deze last door de toepassing van bestuursdwang op kosten van appellant. Appellant heeft gesteld dat hij niettemin belang heeft bij beoordeling van het bestreden besluit omdat aan hem een randvoorwaardenkorting is opgelegd op zijn betalingsrechten over 2015, die is gebaseerd op dezelfde feiten en overtredingen als die welke ten grondslag zijn gelegd aan de last onder bestuursdwang. Het College volgt appellant hierin niet. Het besluit tot oplegging van de randvoorwaardenkorting roept een ander rechtsgevolg in het leven dan de hier in geding zijnde last onder bestuursdwang. Het gaat dus om verschillende besluiten waarvoor de daaraan ten grondslag liggende feiten en overtredingen per besluit zelfstandig door verweerder worden vastgesteld. In de bezwaarprocedure tegen het randvoorwaardenbesluit en een eventuele beroepsprocedure tegen de beslissing op zijn bezwaar tegen dat besluit kan appellant die feiten en overtredingen in volle omvang aan de orde stellen, zodat hij nu in het kader van het bestuursdwangbesluit geen procesbelang heeft bij een oordeel daarover. De formele rechtskracht van het nu bestreden bestuursdwangbesluit staat daaraan niet in de weg.
5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2017.
w.g. S.C. Stuldreher w.g. M.B. van Zantvoort