ECLI:NL:CBB:2018:392

ECLI:NL:CBB:2018:392, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 10-07-2018, 15/815, 16/91 tot en met 16/101, 16/103, 16/258, 16/259, 16/332, 16/333, 16/569, 16/696, 16/1282 en 17/26

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 10-07-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/815
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Gravenhage
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 8 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002058

Samenvatting

Heffingen, weigering alsnog eindnota te verstrekken

Uitspraak

2. Achtergrond

Per 1 januari 2003 is het HBAG, een hoofdbedrijfschap als bedoeld in artikel

66, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Wbo), ingesteld, als bedoeld in artikel 67 van die wet, door samenvoeging en gelijktijdige opheffing van een aantal bestaande bedrijfschappen, waaronder het Bedrijfschap voor de Groothandel in Bloemkwekerijproducten. Het HBAG is per 1 januari 2015 met de Wet opheffing bedrijfslichamen opgeheven. Op grond van artikel XLI, eerste lid, van de Wet opheffing bedrijfslichamen blijven de door bedrijfslichamen vastgestelde verordeningen met betrekking tot het vaststellen en opleggen van heffingen, die van kracht waren onmiddellijk voorafgaand aan 1 januari 2015, van kracht totdat de vereffening van het vermogen van het desbetreffende bedrijfslichaam is beëindigd. Ingevolge het tweede lid van dit artikel oefent vanaf 1 januari 2015 de minister van Economische Zaken de bevoegdheden uit tot het opleggen van heffingen die het krachtens de verordening daartoe bevoegde orgaan van het bedrijfslichaam op grond van een verordening als bedoeld in het eerste lid toekwamen.

Ter vervulling van haar taken had het HBAG en daarvoor (in 2002) het Bedrijfschap voor de Groothandel in Bloemkwekerijproducten verordenende bevoegdheid. Op grond van de artikelen 93 en 126 van de Wbo konden bedrijfslichamen (de (hoofd)bedrijf- en productschappen) bij verordening aan de ondernemingen, waarvoor zij waren ingesteld, heffingen opleggen. De opvolgende verordeningen bepaalden, voor zover hier van belang, onder meer dat de grondslag van de heffing het bedrag was van de op of via de veiling gedane inkoop van bloemkwekerijproducten door de ondernemer gedurende het begrotingstijdvak. De bevoegdheid tot vaststelling van de heffing kwam krachtens het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Agrarische Groothandel toe aan het bestuur van het hoofdbedrijfschap.

Tot 2010 bevatten de toepasselijke HBAG-heffingsverordeningen geen uitvoeringsbepalingen omtrent het doen van aangifte of het opleggen van een aanslag. In de toelichting op de HBAG-heffingsverordeningen (bloemen en planten) van 2002 tot en met 2007 werd vermeld dat de uitvoering van de HBAG-heffing door het Productschap Tuinbouw (PT) geschiedde. In de HBAG-heffingsverordeningen van 2008, 2009 en 2010 (bloemen en planten) was in een aparte bepaling in de verordening geregeld dat de inning van de heffing op bloemkwekerijproducten werd uitgevoerd door het PT. Vanaf 2010 bevatten de HBAG-heffingsverordeningen (bloemen en planten) wel uitvoeringsbepalingen en was voorts bepaald dat de oplegging en inning van de krachtens deze verordeningen verschuldigde heffing en alle hiermee samenhangende werkzaamheden geschiedden namens het HBAG door het PT. In de praktijk waren, voor zover hier van belang, grofweg twee situaties te onderscheiden: de situatie waarin heffingen waren opgelegd na aangifte middels een heffingsnota (aanslag) door het bedrijfslichaam en de situatie dat heffing werd afgedragen via de veiling. In gevallen waarin de handelaar in bloemkwekerijproducten een machtiging had verstrekt aan de veiling werd door de veiling op elke transactie, bij wijze van voorschot, een percentage aan heffing berekend. De veiling betaalde deze bedragen door aan het bedrijfslichaam. Het College heeft in eerdere uitspraken geoordeeld dat deze bedragen rechtens niet anders kunnen worden geduid dan als een vrijwillig te verrichten aanbetaling op, dan wel vervroegde betaling van, de heffing. De veiling handelde aldus namens de kweker of importeur en niet namens het bedrijfslichaam (het product- of bedrijfschap, zie de uitspraak van 25 maart 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BM0108). In de regel volgden in de gevallen waarin op deze wijze reeds voorschotten waren betaald door ondernemingen die via de veiling handelden geen eindnota’s van het product- of bedrijfschap. In de PT-verordeningen was vanaf 2003 een bepaling opgenomen die inhield dat in dat geval de handelaar werd geacht aan zijn heffingsverplichtingen te hebben voldaan. Dat en hoeveel per transactie werd betaald als (voorschot op de) heffing was voor de handelaren kenbaar via de afschriften van de transacties.

3. Appellanten hebben verschillende beroepsgronden aangevoerd, die in de kern op het volgende neerkomen. Verweerder was gehouden ambtshalve eindnota’s op te leggen en heeft verzuimd tijdig dergelijke besluiten te nemen. Tegen de transactieafschriften stond geen bezwaar open en appellanten konden daarom niet eerder opkomen tegen de inhouding van de HBAG-heffing. Verweerder is gehouden de heffing te restitueren dan wel alsnog eindnota’s op te leggen waardoor appellanten een rechtsingang hebben om de rechtmatigheid van de heffing aan te vechten. Dat de heffing onrechtmatig is, is in 2010 vastgesteld door het College. Dit volgt uit een uitspraak van het College waarin is geoordeeld dat het Productschap Tuinbouw onbevoegd was om HBAG-heffingen op te leggen. Onder meer vanwege de ondeugdelijke mandaatconstructie dienen de HBAG-verordeningen buiten toepassing te worden gelaten. Daarnaast is er strijd met verschillende nationale en Europese bepalingen op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de HBAG-verordeningen onverbindend zijn en de heffing een grondslag ontbeert.

4. Gelet op de voorliggende zaken ziet het College zich gesteld voor de volgende vragen:

- Zijn de beroepen gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond?

- Mocht verweerder weigeren heffingsnota’s op te leggen of een daartoe

strekkende aanvraag buiten behandeling laten, gelet op het tijdsverloop tussen het jaar waarin de heffing is betaald en het moment waarop daartegen wordt opgekomen of wordt verzocht om een heffingsnota?

- Moeten de opgelegde heffingen worden vernietigd en de afgedragen heffing worden gerestitueerd wegens onverbindendheid van de verordeningen, zodat voor de heffing een geldige grondslag ontbrak?

5. Niet tijdig beslissen

De beroepen van Florca Westland B.V., Flower Connect Holding B.V. (v/h Direct Sourcing B.V.), Green 4Retail B.V., Marcofleur B.V., Marcoz Holding B.V., Rose Connect B.V. (zaaknummer 15/815) en Celieplant B.V. (zaaknummer 16/333) zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit voor respectievelijk de jaren 2010 tot en met 2013, het jaar 2010 en het jaar 2012. Er is door verweerder in deze gevallen, na het instellen van het beroep, niet alsnog een reëel besluit genomen voor deze jaren. De eerste vraag die moet worden beantwoord is of, en vanaf welk moment, verweerder gehouden was een besluit te nemen. Het College stelt daarbij voorop dat, anders dan appellanten betogen, van een ambtshalve verplichting een besluit te nemen omtrent de verschuldigde heffing in een bepaald begrotingstijdvak, dus zonder voorafgaand verzoek om terugbetaling of aangifte, geen sprake is. Vanaf 2010 is in de HBAG-verordeningen uitdrukkelijk bepaald dat de ondernemer aangifte doet van de door hem aangekochte bloemkwekerijproducten in het desbetreffende kalenderjaar. Aan de veiling betaalde voorschotten kunnen worden verrekend, indien wordt aangetoond dat deze voorschotten zijn betaald. De verantwoordelijkheid voor het aanleveren van gegevens ligt derhalve bij de ondernemer. Dit is een neerslag van de daarvoor reeds bestaande praktijk. Het feit dat vóór 2010 de daarmee overeenkomende bepalingen niet in de HBAG-verordeningen zelf waren opgenomen, betekent niet dat vóór 2010 wel een ambtshalve verplichting bestond voor het HBAG een heffingsnota uit te brengen, ook niet in het geval voorschotten op de heffingen waren betaald aan de veiling. Zoals hiervoor onder

is overwogen, was het vaste praktijk dat in dat geval in beginsel geen nota’s meer waren te verwachten. Verweerder heeft voorts onweersproken gesteld dat middels de veiling onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om (ambtshalve) vast te stellen of eventueel recht op teruggave bestaat. Dat betekent dat van het in gebreke blijven een besluit te nemen eerst sprake kan zijn indien aangifte (dan wel een verzoek om oplegging van een nota met overlegging van de benodigde gegevens) of een gemotiveerd verzoek om teruggave van de afgedragen heffing is gedaan.

Het instellen van een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is mogelijk op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen én twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat hij in gebreke is. In de zaak van Celieplant B.V. (appellante sub 6) dient de ingebrekestelling naar het oordeel van het College te worden beschouwd als een (onvolledige) aanvraag om alsnog een besluit te nemen voor het jaar 2012. Onweersproken is dat niet eerder aangifte is gedaan of een verzoek is ingediend (zie ook in die zin: ECLI:NL:RVS:2015:3446). Ook voor de overige genoemde appellanten geldt dat zij gelet op artikel 6:12, tweede lid, van de Awb eerst in beroep konden komen na ommekomst van de beslistermijn, doch niet dan nadat zij het HBAG in gebreke hadden gesteld en vervolgens gedurende twee weken de gelegenheid hadden geboden tot het alsnog nemen van een besluit. Appellante sub 1 heeft bij brief van 15 juli 2011 verzocht om heffingsnota’s HBAG over de jaren 2006 - 2010, maar op verweerders brief van 19 december 2011, waarbij is gevraagd om de noodzakelijke gegevens per onderneming in te dienen, is geen reactie gekomen. Voor de jaren 2011 tot en met 2013 is niet eerder dan met de brief van 31 juli 2015 verzocht om het opleggen van een heffingsnota. Ook voor het jaar 2010 moet de brief van 31 juli 2015 als zodanig worden aangemerkt. Anders dan appellanten menen, kan de civiele procedure niet worden gelijkgesteld met een verzoek om het opleggen van heffingsnota’s. In geen geval wordt derhalve voldaan aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

Nu aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb niet is voldaan, zijn de beroepen (voor zover) gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk.

Voor de beroepen van appellanten 2 (16/91 tot en met 16/101) en appellante sub 5 (16/332) gericht tegen niet tijdig nemen van een besluit geldt dat alsnog een inhoudelijk besluit is genomen, waartegen appellanten bezwaar hebben gemaakt. Tegen de beslissingen op bezwaar is apart beroep ingesteld. Gesteld noch gebleken is dat nog belang bestaat bij een oordeel over de beroepen gericht tegen het niet tijdig beslissen. De beroepen zullen daarom reeds om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.

6. Het buiten behandeling laten van de aanvragen wegens onredelijk late indiening

Voor de jaren 2002 tot en met 2009 heeft verweerder de aanvragen van appellante sub 1 (zaaknummer 15/815) alsmede de aanvragen van appellanten sub 2 voor het jaar

2009 (zaaknummer 16/1282) om een eindnota buiten behandeling gelaten, omdat de aanvraag niet binnen een redelijke termijn is ingediend. In artikel 4:5 van de Awb is de bevoegdheid om een aanvraag niet te behandelen neergelegd. In het eerste lid van artikel 4:5 van de Awb is bepaald dat die bevoegdheid bestaat indien a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, b. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15 van de Awb of c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking. Daarbij is bepaald dat de aanvraag alleen buiten behandeling kan worden gelaten als de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn aan te vullen. Het College concludeert dat geen van de onder a. tot en met c. genoemde situaties zich in dit geval voordoet. Voor het buiten behandeling laten van de aanvraag om de door verweerder daaraan ten grondslag gelegde reden biedt de wet dan ook geen mogelijkheid. Het onredelijk laat indienen van een aanvraag of verzoek kan wel een reden vormen om de aanvraag af te wijzen. Zoals het College eerder heeft geoordeeld, onder meer in zijn uitspraak van 25 november 2011 (ECLI:NL:CBB:2011:BU6729), hadden appellanten

– indien zij een eindnota wilden ontvangen – na afloop van het heffingsjaar binnen een redelijke termijn hierom moeten verzoeken dan wel bezwaar moeten maken tegen het uitblijven van een besluit. Van belang is daarbij dat gehandeld is via de veiling en dat geen eindnota’s te verwachten waren. Het College heeft in de aangehaalde uitspraak aangesloten bij het “onredelijk laat”-criterium, zoals dit is opgenomen in artikel 6:12, vierde lid, van de Awb. Het College wijst in dat verband ook op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 28 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:310), waarin vanuit het oogpunt van rechtszekerheid ook is aangesloten bij die bepaling voor een geval waarin er geen andere wettelijke termijn geldt. Het College ziet dan ook geen aanleiding het afwijzen van de aanvragen van eindnota’s voor de jaren

2002 tot en met 2009 onrechtmatig te achten.

Voor zover appellanten met de verwijzing naar jurisprudentie van het College inzake de bevoegdheid van het PT tot het opleggen van de HBAG-heffing (het College heeft zich hierover, voor het eerst, uitgesproken in 2009, zie de uitspraak van 17 december 2009 onder 5.7 (ECLI:NL:CBB:2009:BL3965)) willen betogen dat dit als (nieuw) feit of omstandigheid moet worden gezien en reden vormt om in dit geval de aanvragen niet onredelijk laat te achten, kan hen dit niet baten. Nieuwe jurisprudentie is geen nieuw feit of omstandigheid. Dit nog los van de omstandigheid dat de uitleg door appellanten van deze jurisprudentie, namelijk dat de desbetreffende uitspraken inhouden dat er geen grondslag voor de HBAG-heffing bestaat, niet juist is.

Het College is voorts van oordeel dat uit voornoemd arrest van het hof Amsterdam van 14 juli 2015 inzake de (terug)vordering van heffingsbedragen door de Dutch Flower Group B.V. geen verplichting valt af te leiden voor verweerder om alsnog voor deze jaren inhoudelijke beslissingen te nemen omtrent het (al dan niet) verschuldigde bedrag.

Het bovenstaande brengt mee dat de beroepen met de zaaknummers 15/815 en 16/1282, voor zover gericht tegen het buiten behandeling laten van de aanvragen voor de jaren 2002 tot en met 2009, gegrond zijn en dat de bestreden besluiten om die reden vernietigd dienen te worden. Verweerder had de aanvragen op grond van de door hem aangevoerde reden dienen af te wijzen. Het College ziet daarom aanleiding om de desbetreffende primaire besluiten te herroepen en de aanvragen alsnog af te wijzen. Zie in die zin ook de uitspraak van het College van 6 september 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:103).

7. De verbindendheid van de Verordeningen

Ten aanzien van de gestelde onverbindendheid van de HBAG-verordeningen overweegt het College het volgende.

Het College stelt voorop dat aan de stellingen van appellanten ten aanzien van de HBAG-verordeningen 2002 tot en met 2009 niet wordt toegekomen, gelet op het oordeel van het College dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor deze jaren de verzoeken van appellanten niet binnen een redelijke termijn zijn gedaan.

Ten aanzien van de heffingsverordeningen 2010 en later hebben appellanten aangevoerd dat sprake is van steunmaatregelen in de zin van artikel 108, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Volgens appellanten is er daarom sprake van strijd met de aanmeldplicht. Verweerder heeft in reactie daarop zich op het standpunt gesteld dat een groot deel van de heffing bestemd was voor algemene organisatiekosten (in 2014 zelfs geheel), in welk geval de aanmeldplicht niet van toepassing is. Ook voor de overige in de verordeningen vermelde bestemmingen is, voor zover al sprake is van een steunmaatregel, geen sprake van een dwingend bestemmingsverband. Bovendien, voor zover daarvan al sprake zou zijn, gold op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EG) nr. 1/2004 van de Commissie van 23 december 2003 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, verwerken en afzetten (Verordening 1/2004) en artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1857/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, welke Verordening 1/2004 heeft opgevolgd, en de overgangsbepaling (artikel 51) van Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard een vrijstelling van de aanmeldingsplicht tot en met 31 december 2014. De Europese Commissie is conform artikel 19 van Verordening (EG) 1/2004 in kennis gesteld van de heffingssystematiek en de heffingen zoals neergelegd in de hier aan de orde zijnde verordeningen. Appellanten hebben, in hun aanvullende beroepschriften, het standpunt van verweerder bestreden in die zin dat naar hun mening voor alle heffingen een dwingend bestemmingsverband moet worden aangenomen en dat de volledige begrote bruto opbrengst als steunmaatregel moet worden aangemerkt, waarvoor, nu deze opbrengst het budget voor vrijstelling te boven gaat, de vrijstelling van de aanmeldplicht niet gold.

Zoals het College eerder heeft geoordeeld, moet blijkens jurisprudentie van het Hof van Justitie (zie de arresten van 13 januari 2005, Streekgewest Westelijk Noord-Brabant,

C-174/02, punt 26 en Pape, C-175/02, punt 15) om een heffing als een integrerend onderdeel van een steunmaatregel te kunnen aanmerken, krachtens de relevante nationale regeling noodzakelijkerwijs een dwingend bestemmingsverband bestaan tussen de heffing en de steun, in die zin dat de opbrengst van de heffing noodzakelijkerwijs voor de financiering van de steun wordt bestemd. Het College stelt echter voorop dat indien met de opbrengst van de heffingsgelden apparaatskosten van verweerder worden betaald, van steunmaatregelen in de zin van artikel 107, eerste lid, van het VWEU (artikel 87 EG oud) geen sprake is. De heffing wordt in dat geval niet besteed aan activiteiten ten gunste van ondernemingen waardoor de mededinging door die begunstiging wordt vervalst of dreigt te worden vervalst. Aan de kwalificatie als steun wordt daarom in dat geval niet voldaan (zie arrest Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg, C-280/00, punt 74 en CBb 23 februari 2011 (ECLI:NL:CBB:2011:BP6893)). In de HBAG-verordeningen 2010 tot en met 2013 is vermeld dat de doelstelling van de heffing daarnaast is het financieren van activiteiten als het verrijken van informatie, het stimuleren van informatie- en communicatietechnologie, kennisoverdracht en beïnvloeden van regelgeving. Los van de vraag of al deze activiteiten wel te gelden hebben als steunmaatregelen als bedoeld in artikel 107, eerste lid, van het VWEU en de vraag of de heffing een integrerend deel uitmaakt van die steunmaatregelen, waarvoor is vereist dat een dwingend bestemmingsverband bestaat tussen de heffing en de steun (zie onder meer CBb 30 november 2011 (ECLI:NL:CBB:2011:BU7298)), hetgeen het College in het midden laat, is naar het oordeel van het College niet aannemelijk dat daarvoor de vrijstelling van de aanmeldingsplicht niet gold. De stelling dat de gehele begrote opbrengst van de heffing, ook als deze diende ter bekostiging van algemene organisatiekosten, voor de notificatieplicht als uitgangspunt moet worden genomen, volgt het College niet, nu algemene organisatiekosten immers niet kwalificeren als steunmaatregel. Concrete aanwijzingen dat de overige activiteiten niet onder de vrijstelling zouden vallen, zijn er niet. De begrotingen van het HBAG bevatten dergelijke aanwijzingen niet. Verweerder heeft voorts onbetwist gesteld ieder jaar verslag te hebben uitgebracht aan de Commissie over de toepassing van de genoemde Verordeningen. Dit heeft nimmer geleid tot opmerkingen of maatregelen, hetgeen als aanwijzing kan worden beschouwd dat er geen sprake was van steun die buiten de vrijstelling van de aanmeldingsplicht viel (zie ook CBb 11 augustus 2010 (ECLI:NL:CBB:2010:BN4954) en ABRvS 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2568)).

Appellanten hebben voorts ten aanzien van de HBAG-Verordeningen 2010 en

2011 aangevoerd dat het PT pas na de goedkeuring van de PT-Verordening heffing handel bloemkwekerijproducten 2010 door de EU-Commissie op 15 juli 2011 uitvoering kon geven aan de verordening. Dat betekent dat de bevoegdheid ontbrak om de HBAG-heffing via de veiling op te leggen en te innen. Deze stelling sneuvelt reeds nu de inhouding van bedragen bij transacties via de veiling niet gebeurde in opdracht van PT (of het HBAG), maar in opdracht van de ondernemingen en dat daarbij sprake was van een vrijwillige afdracht van een voorschot. Van het opleggen van een heffing door het PT (of het HBAG) was derhalve geen sprake. Daarmee is van buiten de bevoegdheid treden geen sprake.

Appellanten stellen dat vanaf 2010 niet aan alle ondernemingen die onder het HBAG vallen middels een aanslag of het toesturen van een aangifteformulier een heffing is opgelegd. Er is volgens appellanten dan ook sprake van willekeur en daarmee van concurrentievervalsing. Om die reden dienen de verordeningen wegens strijd met artikel

93 van de Wbo onverbindend te worden verklaard. Ter onderbouwing van deze stelling hebben appellanten verwezen naar een aantal ondernemingen die geen aanslag zouden hebben ontvangen, maar wel een hoge omzet hadden en zijn e-mails van 14 en 15 april 2016 overgelegd van ondernemingen die bevestigen geen aangifteformulier te hebben ontvangen. Het College merkt op dat, zo al bij de toepassing van de verordeningen willekeurig zou zijn gehandeld, dit niet tot de conclusie leidt dat sprake is van onverbindendheid wegens strijd met artikel 93 van de Wbo. Voorts wordt geoordeeld dat de door appellanten overgelegde gegevens onvoldoende zijn voor de conclusie dat sprake is van willekeur bij de uitvoering, mede gelet op de toelichting van verweerder dat het opleggen van een heffing en de termijn waarop dit gebeurt afhankelijk zijn van verschillende relevante factoren, zoals de aangifte en het al dan niet handelen via de veiling onder afdracht van voorschotten. Zo stelt de onderneming Vida Verde in de door appellanten overgelegde e-mail van 14 april 2016 dat zij eigenlijk niet buiten de veiling om handelde en dus alle heffing al via de veiling heeft afgedragen en dat zij daarnaast al over voorgaande jaren op verzoek de (PT/HBAG)-heffing deels gerestitueerd heeft gekregen. Ook uit de mail van 15 april 2016 blijkt voor de ondernemingen Magical Greens B.V. en Directflor B.V. van inhoudingen door de veiling. De overige door appellanten overgelegde stukken bevatten voorts evenmin voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de heffingspraktijk werd gekenmerkt door willekeur.

Zoals het College reeds eerder heeft geoordeeld, was de grondslag voor de HBAG-heffing steeds gelegen in de HBAG-verordeningen zelf. Wijzigingen in de PT-verordeningen, waaruit de vermelding van het HBAG-percentage vanaf 2009 is verwijderd, tasten – anders dan appellanten stellen – deze grondslag niet aan. Het heffingspercentage, de kring van heffingsplichtigen, de grondslag voor de heffing en de besteding van de heffing waren steeds in de HBAG-verordeningen (de HBAG-instellingsverordening en de verordeningen HBAG heffing bloemen en planten) vastgelegd. Voorts volgt het College verweerder in zijn standpunt dat in artikel 128, vierde lid, van de Wbo is bepaald dat in afwijking van artikel 126, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wbo, een verordening geen goedkeuring van de minister(s) behoeft indien de betrokken verordening een voortzetting betreft van een in voorafgaande jaren reeds goedgekeurde verordening. Op 1 april 2010 is de Verordening HBAG heffing bloemen en planten 2010 door de Minister goedgekeurd. Voor de jaren

2011, 2012 en 2013 is geen sprake geweest van wijzigingen met betrekking tot het tarief, de grondslag of de besteding van de heffingen, zodat op grond van artikel 128, vierde lid, van de Wbo de goedkeuring ook geldt voor de latere heffingsjaren. De grondslag voor de heffing was steeds het bedrag van de aankoopwaarde van de in Nederland in het desbetreffende kalenderjaar aangekochte bloemkwekerijproducten. De stelling van appellanten dat in verschillende jaren aftrekposten zijn toegevoegd en dus de grondslag van de heffing is gewijzigd, volgt het College niet. Het College concludeert op grond van de definitiebepalingen, waarin is vermeld wat onder “aankoopwaarde” en “bloemkwekerijproducten” moet worden verstaan, de bepalingen ten aanzien van de grondslag van de heffing en de bepalingen ten aanzien van de hoogte van de heffing in onderling verband gezien dat van wijzigingen van de grondslag van de heffing voor die jaren geen sprake is. Waar in de verordening voor 2011 bijvoorbeeld bij aftrekposten staat vermeld dat bloemzaden op de aankoopwaarde in mindering kunnen worden gebracht, staat in de verordeningen voor 2012 en 2013 bij de definitie van bloemkwekerijproducten dat bloemzaden uitgezonderd zijn.

Appellanten sub 3, 6 en 7 hebben voorts gesteld dat voor de Verordening HBAG heffing bloemen en planten 2014 goedkeuring had moeten worden verleend door de Minister, omdat in tegenstelling tot de Verordeningen 2010 tot en met 2013 de Verordening 2014 niet als heffingsgrondslag heeft de aankoopwaarde van bloemkwekerijproducten in het desbetreffende kalenderjaar, maar het bedrag van de aankopen in het voorgaande jaar (2013), hetgeen derhalve een wijziging van de grondslag inhoudt. Bovendien is er sprake van een wijziging van de besteding van de heffingsopbrengst, aldus appellanten, nu deze in 2014 vooral ten goede kwam aan het Sociaal plan voor het personeel in verband met de afbouw van het bedrijfschap. Verweerder meent dat van een wijziging van de grondslag geen sprake is nu de grondslag nog steeds de aankoopwaarde in een kalenderjaar betreft en het tarief niet is gewijzigd. Blijkens de toelichting is gekozen voor 2013 zodat nieuwe ondernemingen, die voor het eerst in 2014 aangesloten zijn, geen heffing opgelegd krijgen voor een bedrijfschap in afbouw dat nog beperkt activiteiten uitvoert die geen verband houden daarmee. Ook is geen sprake van een wijziging van de besteding. De heffing was ook in voorgaande jaren (mede) bestemd voor algemene organisatiekosten. Voorts heeft verweerder nog gesteld, zo heeft het College de stelling begrepen, dat de goedkeuring impliciet moet worden geacht te zijn gegeven nu het de minister is die de heffingen heeft opgelegd, na opheffing van het bedrijfschap.

De stelling van appellanten sub 3, 6 en 7, dat de Verordening HBAG heffing bloemen en planten 2014 wegens gebrek aan goedkeuring onverbindend moet worden verklaard, slaagt niet. Het is op zichzelf juist dat uit de publicatie van de verordening enkel blijkt van de goedkeuring van de Sociaal-Economische Raad, maar niet van de goedkeuring van de minister. Het College is voorts met appellanten van oordeel dat de verordening voor 2014 wel een wijziging van de grondslag inhoudt nu deze niet de aankoopwaarde van de bloemkwekerijproducten betreft in het desbetreffende kalenderjaar, maar het voorgaande jaar als grondslag heeft. Dit leidt echter niet tot de conclusie die appellanten daaraan verbinden. Het College is van oordeel dat het ontbreken van voorafgaande goedkeuring niet met zich brengt dat de verordening onverbindend is. De minister kan op grond van artikel 128, eerste lid, van de Wbo zijn goedkeuring onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. De opbrengst van de heffing was met name bestemd voor de kosten gemoeid met de afbouw van het bedrijfschap. Nu de minister van Economische Zaken als rechtsopvolger van het HBAG, en belast met de vereffening, zelf de heffingen heeft opgelegd voor 2014 en daarmee dus zelf uitvoering heeft gegeven aan de verordening, is daarmee naar oordeel van het College voldoende blijk gegeven van goedkeuring. Goedkeuring van ‘andere ministers’ is voorts niet aan de orde, hetgeen door appellanten ook terecht niet is gesteld, nu geen sprake is van een bestemmingsheffing. Het College ziet dan ook geen aanleiding de verordening wegens strijd met artikel 128, eerste lid, van de Wbo onverbindend te verklaren. De beroepen (zaaknummers 16/258, 16/259 en 16/569) gericht tegen heffingen die zijn opgelegd krachtens de Verordening HBAG heffing bloemen en planten 2014 zullen derhalve ongegrond worden verklaard.

Overschrijding van de redelijke termijn

Het College stelt – ambtshalve – vast dat in de zaken met de zaaknummers

15/815, 16/258, 16/259, 16/569, 16/696 en 16/1282 de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak (vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 10 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3354 en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 onder 3.13.2). Het gaat hier om niet-punitieve procedures die volgen op primaire besluiten die zijn bekend gemaakt na 1 februari 2014. Gelet op vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188) geldt in dat geval als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduur gerechtvaardigd te achten. Het College zal hierna per zaak nader ingaan op de overschrijding van de redelijke termijn en de consequenties daarvan. Daarbij stelt het College het volgende voorop.

In zaken waarin appellanten gezamenlijk beroep hebben ingesteld, zal het College de wegens overschrijding van de redelijke termijn aan de desbetreffende appellanten toe te kennen schadevergoeding matigen in die zin dat alle appellanten 25% van het aan de mate van overschrijding van de redelijke termijn gerelateerde schadevergoedingsbedrag krijgen toegekend. Deze matiging acht het College redelijk vanwege de matigende invloed die het instellen van gezamenlijke beroepen in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die deze appellanten hebben ondervonden vanwege de te lang durende procedure. Door gezamenlijk beroepen in te stellen hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen. Het College verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 13 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ1289) onder 14.7. Voorts vindt het College bij de hierna toe te kennen proceskostenvergoedingen evenals de Hoge Raad aanleiding om in de omstandigheid dat verweerder (in zaaknummer 16/1282) en de minister van Justitie en Veiligheid slechts worden veroordeeld in de proceskosten van appellanten omdat aan hen een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend, een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak – als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht – te hanteren van 0,5 (licht) (zie het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:660)).

Verweerder heeft tijdens de behandeling van het beroep met zaaknummer 15/815 op

20 november 2015 en op 27 november 2015 besluiten genomen waarop het beroep op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede betrekking heeft (zie onder 1.2 hiervoor). Het College stelt vast dat ten tijde van deze uitspraak op 10 juli 2018 de onder 8.1.1 hiervoor bedoelde termijn van twee jaar, te rekenen vanaf de data waarop genoemde besluiten genomen zijn, met ruim zeven maanden is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, brengt dit mee dat appellante sub 1 recht heeft op € 1.000,- schadevergoeding. Het College stelt vast dat de overschrijding volledig is toe te rekenen aan het College, nu van een bezwaarfase geen sprake is. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb de minister van Justitie en Veiligheid veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000,- aan appellante sub 1 (zie voormeld arrest van de Hoge Raad van

19 februari 2016 onder 3.14.2).

Het College ziet in het voorgaande tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb de minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen in de door appellante sub 1 in beroep gemaakte proceskosten (zie genoemd arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 onder 3.14.2). Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor de door het College verzochte reactie op de besluiten van 20 november 2015 en 27 november 2015, 1 punt voor de door het College verzochte repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 0,5). In de gegrondverklaring van het beroep voor zover gericht tegen de buiten behandeling stelling van de aanvragen ziet het College met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht aanleiding verweerder op te dragen de vergoeding voor proceskosten te verhogen met € 501,-.

Het College zal de minister van Justitie en Veiligheid opdragen het door appellante sub 1 betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,- aan haar te vergoeden.

Het bezwaarschrift van appellanten sub 2 (zaaknummer 16/1282) dateert van 15 april 2016. Het College stelt vast dat ten tijde van deze uitspraak op 10 juli 2018 de onder 8.1.1 hiervoor bedoelde termijn van twee jaar met bijna drie maanden is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan appellanten sub 2 ieder afzonderlijk toe te kennen bedrag € 500,-, hetgeen het totaal toe te kennen bedrag aan schadevergoeding op € 6.000,- brengt. Het College zal dit bedrag matigen gelet op het feit dat sprake is van gezamenlijk ingestelde beroepen, zodat elke appellante een bedrag van € 125,- krijgt toegekend, hetgeen het totaal toe te kennen bedrag aan schadevergoeding op € 1.500,- brengt. Het College stelt vast dat de overschrijding zowel aan verweerder als aan het College is toe te rekenen, nu de behandeling van het bezwaar ruim zeven maanden in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep ruim anderhalf jaar heeft geduurd. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb verweerder en de minister van Justitie en Veiligheid ieder voor de helft veroordelen tot betaling van de hierboven genoemde schadevergoedingen van € 125,- per appellante. Het College verwijst naar voormeld arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 onder 3.14.2.

Het College ziet in het voorgaande tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerder en de minister van Justitie en Veiligheid ieder voor de helft te veroordelen in de door appellanten sub 2 in het beroep met zaaknummer 16/1282 gezamenlijk gemaakte proceskosten (zie voornoemd arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 onder 3.14.2). Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 0,5). In de gegrondverklaring van het beroep gericht tegen de buiten behandelingstelling van de aanvragen ziet het College met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht aanleiding verweerder op te dragen de vergoeding voor proceskosten te verhogen met € 501,-.

Het College zal verweerder en de minister van Justitie en Veiligheid opdragen ieder voor de helft het door appellanten sub 2 gezamenlijk betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 334,- aan appellanten sub 2 te vergoeden.

De bezwaarschriften van appellante sub 3 (zaaknummer 16/258) en appellante sub 4 (zaaknummer 16/259) zijn door verweerder beide ontvangen op 3 december 2015. Het College stelt vast dat ten tijde van deze uitspraak op 10 juli 2018 de onder 8.1.1 hiervoor bedoelde termijn van twee jaar met ruim zeven maanden is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan appellanten sub 2 ieder afzonderlijk toe te kennen bedrag € 1.000,-, hetgeen het totaal toe te kennen bedrag aan schadevergoeding op € 2.000,- brengt. Het College zal dit bedrag matigen gelet op het feit dat sprake is van gezamenlijk ingestelde beroepen, zodat elke appellante een bedrag van € 250,- krijgt toegekend, hetgeen het totaal toe te kennen bedrag aan schadevergoeding op € 500,- brengt. Het College stelt vast dat de overschrijding volledig is toe te rekenen aan het College, nu de behandeling van de bezwaren bijna vier maanden in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van de beroepen twee jaar en bijna drie maanden heeft geduurd. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb de minister van Justitie en Veiligheid veroordelen tot betaling van een bedrag van € 250,- aan appellante sub 3 en betaling van een bedrag van € 250,- aan appellante sub 4 (zie voormeld arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 onder 3.14.2).

Het College ziet in het voorgaande tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb de minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen in de door appellante sub 3 en appellante sub 4 in beroep gezamenlijk gemaakte proceskosten (zie voormeld arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 onder 3.14.2). Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 0,5).

Het College zal de minister van Justitie en Veiligheid opdragen het door appellante sub 3 en appellante sub 4 elk afzonderlijk betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,- aan hen te vergoeden.

De bezwaarschriften van appellanten sub 7 (zaaknummer 16/569) dateren van 16 december 2015. Het College stelt vast dat ten tijde van deze uitspraak op 10 juli 2018 de onder 8.1.1 hiervoor bedoelde termijn van twee jaar met bijna zeven maanden is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan appellanten sub 7 ieder afzonderlijk toe te kennen bedrag € 1.000,-, hetgeen het totaal toe te kennen bedrag aan schadevergoeding op € 17.000,- brengt. Het College zal dit bedrag matigen gelet op het feit dat sprake is van een gezamenlijk ingesteld beroep, zodat elke appellante een bedrag van € 250,- krijgt toegekend, hetgeen het totaal toe te kennen bedrag aan schadevergoeding op € 4.250,- brengt. Het College stelt vast dat de overschrijding volledig is toe te rekenen aan het College, nu de behandeling van het bezwaar bijna vijf maanden in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep twee jaar en bijna een maand heeft geduurd. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb de minister van Justitie en Veiligheid veroordelen tot betaling van een bedrag van € 250,- aan elk van appellanten sub 7 (zie voormeld arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 onder 3.14.2).

Het College ziet in het voorgaande tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb de minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen in de door appellanten sub 7 in beroep gezamenlijk gemaakte proceskosten (zie genoemd arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 onder 3.14.2). Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 0,5).

Het College zal de minister van Justitie en Veiligheid opdragen het door appellanten sub 7 gezamenlijk betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,- aan hen te vergoeden.

De bezwaarschriften van appellanten sub 8 zijn door verweerder ontvangen op 30 december 2015. Het College stelt vast dat ten tijde van deze uitspraak op 10 juli 2018 de onder 8.1.1 hiervoor bedoelde termijn van twee jaar met ruim een half jaar is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan appellanten sub 8 ieder afzonderlijk toe te kennen bedrag € 1.000,-, hetgeen het totaal toe te kennen bedrag aan schadevergoeding op € 2.000,- brengt. Het College zal dit bedrag matigen gelet op het feit dat sprake is van een gezamenlijk ingesteld beroep, zodat elke appellante een bedrag van € 250,- krijgt toegekend, hetgeen het totaal toe te kennen bedrag aan schadevergoeding op € 500,- brengt. Het College stelt vast dat de overschrijding volledig is toe te rekenen aan het College, nu de behandeling van het bezwaar bijna zes maanden in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep bijna twee jaar heeft geduurd. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb de minister van Justitie en Veiligheid veroordelen tot betaling van een bedrag van € 250,- aan elk van appellanten sub 8 (zie voormeld arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 onder 3.14.2).

Het College ziet in het voorgaande tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb de minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen in de door appellanten sub 8 in beroep gemaakte proceskosten (zie voornoemd arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 onder 3.14.2). Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 0,5).

Het College zal de minister van Justitie en Veiligheid opdragen het door appellanten sub 8 gezamenlijk betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,- aan hen te vergoeden.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep met zaaknummer 16/333, de beroepen met zaaknummers 16/91 tot en met 16/101, het beroep met zaaknummer 16/332 en het beroep met zaaknummer 15/815, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;

verklaart de beroepen met zaaknummers 15/815 en 16/1282, voor zover gericht tegen het buiten behandeling laten van de aanvragen gegrond, vernietigt het besluit van 29 november 2016, herroept de besluiten van 27 november 2015 en 10 maart 2016 en wijst de desbetreffende aanvragen af;

verklaart de overige beroepen ongegrond;

veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid om aan appellante sub 1 een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000,- te betalen;

veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid in de proceskosten van appellante sub 1 tot een bedrag van € 1.002,- en verweerder tot een bedrag van € 501,-;

draagt de minister van Justitie en Veiligheid op het betaalde griffierecht van € 331,- aan appellante sub 1 te vergoeden;

veroordeelt verweerder en de minister van Justitie en Veiligheid ieder voor de helft om aan appellanten sub 2 een vergoeding voor immateriële schade van € 125,- per appellante te betalen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten sub 2 tot een bedrag van in totaal € 751,50 en de minister van Justitie en Veiligheid tot een bedrag van € 250,50;

draagt verweerder en de minister van Justitie en Veiligheid op ieder voor de helft het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellanten sub 2 gezamenlijk te vergoeden;

veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid om aan appellante sub 3 en appellante sub 4 een vergoeding voor immateriële schade van € 250,- per appellante te betalen;

veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid in de proceskosten van appellante sub 3 en appellante sub 4 gezamenlijk tot een bedrag van € 501,-;

draagt de minister van Justitie en Veiligheid op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellante sub 3 en appellante sub 4 per appellante te vergoeden;

veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid om aan appellanten sub 7 een vergoeding voor immateriële schade van € 250,- per appellante te betalen;

veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid in de proceskosten van appellanten sub 7 gezamenlijk tot een bedrag van € 501,-;

draagt de minister van Justitie en Veiligheid op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellanten sub 7 gezamenlijk te vergoeden;

veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid om aan appellanten sub 8 een vergoeding voor immateriële schade van € 250,- per appellante te betalen;

veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid in de proceskosten van appellanten sub 8 gezamenlijk tot een bedrag van € 501,-;

draagt de minister van Justitie en Veiligheid op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellanten sub 8 gezamenlijk te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, mr. H.O. Kerkmeester en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. A.G.J. van Ouwerkerk

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?