COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2019 in de zaak tussen
Advanced Team Systems Center B.V. te Tilburg, appellante
de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
uitspraak
zaaknummer: 18/81
(gemachtigden: ir. A. Corthals en ir. R. Beens),
en
(gemachtigden: mr. J. van Essen, ir. drs. G.J. Bolks).
Procesverloop
Bij besluit van 9 augustus 2017 (primair besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om een S&O-verklaring als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva).
Bij besluit van 28 december 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit gedeeltelijk ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2019. De gemachtigden van partijen zijn verschenen.
Overwegingen
Het geschil draait om drie projecten tot ontwikkeling van programmatuur waarvoor appellante bij verweerder voor de periode van mei tot en met augustus 2017 een S&O-verklaring (voor 600 uren per project) heeft aangevraagd. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de aanvraag voor Project 8649 “Crossyn” (onderdelen “Swipe on/off services”, “Logistieke verwerking” en “Data halen uit de T4”) voor 360 uren afgewezen, voor Project 8337 “Autodemontage module” voor 450 uren afgewezen en voor Project 8647 “Analysetool” voor 600 uren afgewezen. Verweerder heeft de afwijzing per (project)onderdeel gemotiveerd. Samengevat heeft verweerder aan de afwijzingen ten grondslag gelegd dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van ontwikkeling van (onderdelen van) technisch nieuwe programmatuur in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel p, sub 2 van de Wva. Zij heeft bij haar aanvraag en in bezwaar de door haar op te lossen problemen uitsluitend op functioneel niveau en niet op technisch niveau beschreven.
Appellante stelt dat zij in haar aanvraag het aantal uren heeft opgegeven dat in alle projecten bij elkaar daadwerkelijk aan S&O zal worden besteed en dat zij die uren gelijkmatig heeft verdeeld over de verschillende projecten. Deze handelwijze is in vijf eerdere aanvragen voor dezelfde projecten goedgekeurd. Daar is in bezwaar ten onrechte geen rekening mee gehouden. Deze aanvraag is opeens gedeeltelijk afgewezen. Appellante wijt dat aan de persoon van de adviseur die bij de beoordeling van haar aanvraag betrokken is geweest.
Appellante stelt verder dat het verschil tussen wat wel en geen S&O is arbitrair is.
Projecten bestaan nooit volledig uit werkzaamheden die als ‘ontwikkeling’ kunnen worden geduid. De meeste werkzaamheden zijn ondersteunend en dienstbaar aan de totale ontwikkeling. Dat maakt volgens haar dat het geheel S&O is. Werkzaamheden die nu zijn afgewezen, zijn bij eerdere aanvragen wel goedgekeurd. Principieel zijn er geen wijzigingen in de aard van de werkzaamheden. In de beslissing op bezwaar is vermeld dat appellante alle werkzaamheden functioneel heeft beschreven. Dat is tijdens de hoorzitting, bij de door appellante gegeven uitleg van de technische knelpunten, door verweerder niet aangegeven. Het is appellante nog steeds niet duidelijk waarom de aanvraag deels is afgewezen.
Verweerder heeft gesteld dat per aanvraag wordt beoordeeld of sprake is van S&O. Het betreft hier een laagdrempelige subsidie. Verweerder ziet niet altijd aanleiding voor het opvragen van nadere informatie, maar dit laat onverlet dat hij dat in een mogelijke vervolgaanvraag alsnog kan doen. Dat er voor projecten eerder S&O-verklaringen zijn afgegeven betekent bijvoorbeeld niet dat de werkzaamheden in een latere periode (nog steeds) S&O zijn. Verweerder zag redenen om over de in geding zijnde aanvraag aanvullende informatie op te vragen. Van project 8649 was het werkingsprincipe al aangetoond en voor de lang lopende projecten 8337 en 8647 werden meer uren aangevraagd dan voorheen. Verweerder betwist dat de persoon van de adviseur een doorslaggevende rol heeft gespeeld. Het bestreden besluit is niet toe te rekenen aan één adviseur en is bovendien door een ander dan die adviseur ondertekend. Voorts is het antwoord op de vraag of sprake is van S&O niet arbitrair. In de Wva is gedefinieerd wat in die wet onder S&O wordt verstaan. Verweerder toetst aanvragen om een S&O-verklaring aan de Wva. Dat werkzaamheden in dienst staan van S&O is ingevolge de Wva onvoldoende om deze als S&O aan te merken. Verweerder stelt dat hij in het bestreden besluit voldoende duidelijk heeft toegelicht waarom hij bepaalde werkzaamheden niet als S&O heeft aangemerkt.
3. Het College overweegt als volgt.
Het College is van oordeel dat wat appellante tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd geen gronden bevat die een aanknopingspunt bieden voor een inhoudelijke discussie over de door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde afwijzingsgronden.
Het betoog van appellante komt er in de kern op neer dat zij verwijst naar eerdere besluiten waarmee positief is beslist op haar aanvragen om S&O-verklaringen voor dezelfde projecten als in dit geding aan de orde. Zij schrijft de gedeeltelijke afwijzing bij het bestreden besluit toe aan een onjuiste arbitraire beslissing van de bij die aanvraag betrokken adviseur. Het College volgt appellante in dit standpunt niet. Het volgt verweerder in zijn standpunt als hiervoor onder 2.2 vermeld.
Het College ziet gelet op het vorenstaande geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het bestreden besluit, waarin verweerder gedetailleerd is ingegaan op de door hem gehanteerde afwijzingsgronden, in rechte geen stand kan houden.
Het College zal het beroep ongegrond verklaren.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, mr. H.O. Kerkmeester en mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2019.
w.g. E.R. Eggeraat w.g. J.W.E. Pinckaers
Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan beroep in cassatie instellen ter zake van schending van de artikelen 1 en 2 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen met betrekking tot het bepaalde omtrent de begrippen 'inhoudingsplichtige', 'aangiftetijdvak', 'loon', 'onderneming', 'fiscale eenheid' en 'werknemer' (artikel 30, derde lid, Wva).