COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2019 in de zaak tussen
maatschap [naam] , te [plaats] , appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
uitspraak
zaaknummer: 18/2057
(gemachtigde: G. Hoogeveen),
en
(gemachtigden: mr. S.J.E. Loontjens en mr. G. Meijerink).
Procesverloop
Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het op het bedrijf van appellante rustende fosfaatrecht vastgesteld.
Bij besluit van 30 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij brief van 24 juni 2019 heeft het College appellante de gelegenheid geboden om het beroep nader toe te lichten en in het bijzonder inzicht te geven in de omvang van het bedrijf, bedrijfsvoering en de financiën. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019. Voor appellante zijn haar vennoten verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
Appellante voert een gemengd bedrijf: akkerbouw, pluimvee en de opfok van jongvee. In de zomer koopt zij nuchtere kalveren en fokt deze (voor de export) op tot drachtige vaarzen. Appellante beschikt over weidegrond die (vanwege door wilde zwijnen veroorzaakte schade) ongeschikt is om daarvan te hooien, maar zich wel leent voor de weidegang door het jongvee. Dat gebeurt in de zomermaanden. Na het opstallen van de dieren worden zij geïnsemineerd en in het voorjaar verkocht. Op 2 juli 2015 hield appellante 14 stuks jongvee (11 kalveren en 3 vaarzen). Zij hield in voorgaande jaren gemiddeld jaarlijks (ruim) 10 vaarzen en 12 kalveren en gemiddeld in 2015 8,5 vaarzen en 12,7 kalveren. Het (toevallige) aantal dieren op 2 juli 2015 is (dus) lager dan het gemiddeld aanwezige aantal dieren.
Verweerder heeft het aan appellante toekomende fosfaatrecht vastgesteld op 172 kg.
Appellante voert aan dat het bestreden besluit een (onaanvaardbare) inbreuk maakt op haar eigendomsrecht doordat het op haar een disproportionele last legt.
Volgens verweerder onderscheidt de situatie van appellante zich niet van die van andere melkveehouders met een soortgelijke bedrijfsvoering of die van export- of verzamelstations (die ook te maken hebben met een sterk wisselende veebezetting). De peildatum pakt voor appellante weliswaar ongunstig uit, maar daar staat tegenover dat die zelfde peildatum voor andere, vergelijkbare bedrijven juist gunstig kan uitvallen.
Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt verweerder het fosfaatrecht vast in overeenstemming met de productie van dierlijke meststoffen door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd. Veehouders krijgen dus fosfaatrechten voor melkvee dat zij op 2 juli 2015 op het eigen bedrijf hielden. Op die basis bedraagt het fosfaatrecht van appellante 172 kg. Daarover bestaat ook geen verschil van mening.
Duidelijk is dat de peildatum voor appellante ongunstig uitpakt en dat zij voor de ongewijzigde continuering van de opfok van jongvee ongeveer 169 kg fosfaatrecht moet aankopen. Die transactie vertegenwoordigt een waarde van om en nabij € 21.000,-. Ook al heeft de peildatum voor dit specifieke onderdeel van de bedrijfsvoering relatief veel impact, van de waarde van de benodigde extra investering is niet op voorhand aannemelijk dat het ingrijpende financiële gevolgen heeft voor het gehele bedrijf van appellante. Appellante heeft nagelaten om inzicht te bieden in de omvang van haar bedrijf en geen gegevens verstrekt die de bedrijfseconomische gevolgen van de invoering van het fosfaatrechtstelsel voor haar (gehele) bedrijf inzichtelijk maken. Daarmee heeft zij haar beroep op de inbreuk op haar eigendomsrecht onvoldoende uitgewerkt. De beroepsgrond faalt.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2019.
w.g. R.C. Stam w.g. F. Willems