ECLI:NL:CBB:2019:632

ECLI:NL:CBB:2019:632, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 26-11-2019, 18/2121

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 26-11-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/2121
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0004054

Samenvatting

Fosfaatrechtenvaststelling niet in strijd met artikel 1 van het EP. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last die het gevolg is van het fosfaatrechtenstelsel. Daarvoor acht het College van belang dat appellante de voor de uitbreiding van haar veestapel vereiste vergunning pas op 11 november 2016 heeft verkregen. Appellante is dus met de door haar gedane investeringen vooruitgelopen op die vergunning. Het beroep van appellante op artikel 23, zesde lid, van de Msw faalt. De bouwwerkzaamheden waren reeds in 2012, ver vóór 2 juli 2015, afgerond. Zonder nadere toelichting kan worden aangenomen dat dit tijdsverloop eraan in de weg staat dat de betreffende werkzaamheden op 2 juli 2015 de oorzaak waren van een kleinere veestapel. Wetsbepaling: artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP), artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet (Msw)

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2019 in de zaak tussen

maatschap [naam] , te [plaats] , appellante

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

uitspraak

zaaknummer: 18/2121

(gemachtigden: mr. H. Sikkema en mr. M.A. Bakkerir J.M.M. Kroon)

en

(gemachtigden: mr. G. Meijerink en mr. S.J.E. Loontjens).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 8 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en geweigerd een ontheffing te verlenen op grond van artikel 38, tweede lid, van de Msw.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2019. Voor appellante zijn haar vennoten verschenen, bijgestaan door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Appellante exploiteert een melkveehouderij en zij heeft in 2012 de ligboxenstal vergroot op basis van een omgevingsvergunning van 7 augustus 2012. De kosten bedroegen

€ 461.000. De financiering van de bouw vond plaats met een banklening.

Op 11 november 2016 heeft het provinciebestuur de vergunning van appellante op grond van Natuurbeschermingswet 1998 gewijzigd voor het vergroten van haar veestapel van 123 melk- en kalfkoeien en 83 stuks jongvee naar 170 melk- en kalfkoeien en 120 stuks jongvee.

Op 2 juli 2015 hield appellante 129 melk- en kalfkoeien en 96 stuks jongvee. Verweerder heeft op basis van dat aantal dieren het fosfaatrecht vastgesteld op 6.061 kg.

Volgens appellante maakt het bestreden besluit een (onaanvaardbare) inbreuk op haar eigendomsrecht doordat het een individuele en buitensporige last op haar legt. Zij kan door de invoering van het fosfaatrechtenstelsel de capaciteit van de stal niet meer volledig benutten. Dat tast de winstgevendheid van haar bedrijf aan: zij is drie jaar in de tijd achteruit gezet. Dat is in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EP). Voorts voert appellante aan dat zij voldoet aan de voorwaarden die artikel 23, zesde lid, van de Msw stelt aan de verhoging van het fosfaatrecht wegens bouwwerkzaamheden. De bouwwerkzaamheden van de nieuwe stal waren op 2 juli 2015 wel afgerond, maar dat vormt geen blokkade voor de verhoging van het aantal fosfaatrechten.

Verweerder verwerpt het beroep op artikel 1 van het EP, nu appellante geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd, anders dan dat zij financiële gevolgen ondervindt van het fosfaatrechtenstelsel. Verder komt zij niet in aanmerking voor verhoging op grond van de knelgevallenregeling, omdat de bouwwerkzaamheden (ver) vóór 2 juli 2015 waren afgerond.

Artikel 1 van het EP bepaalt dat iedere natuurlijke of rechtspersoon het recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Deze bepaling tast echter niet het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Op grond van artikel 23, derde lid, van de Msw stelt verweerder het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd. Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, verhoogt verweerder het fosfaatrecht op een daartoe strekkend verzoek, indien een landbouwer aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal 5% lager is door, voor zover van belang, bouwwerkzaamheden.

Het beroep van appellante op artikel 23, zesde lid, van de Msw faalt. De bouwwerkzaamheden waar zij naar verwijst waren reeds in 2012, ver vóór 2 juli 2015, afgerond. Zonder nadere toelichting, die appellante niet heeft gegeven, kan, met verweerder, worden aangenomen dat dit tijdsverloop eraan in de weg staat dat de betreffende werkzaamheden op 2 juli 2015 de oorzaak waren van een kleinere veestapel.

Het College heeft de algemene uitgangspunten voor de beoordeling van het beroep op artikel 1 van het EP uiteengezet in zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en zijn uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1 t/m 7) en 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291). Het College heeft daarin geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau niet in strijd is met artikel 1 van het EP. In wat appellante hierover heeft aangevoerd, ziet het College gaan aanleiding voor een ander oordeel. Het beroep slaagt in zoverre niet.

Bij de beoordeling of een last in het geval van de betrokken melkveehouder buitensporig is, moeten alle betrokken belangen van het individuele geval worden afgewogen. Zoals in de eerder genoemde uitspraak van 23 juli 2019 onder 6.8.2 is overwogen is in dat verband vooral relevant of en zo ja, op welk moment en met welke motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en of daarvoor onomkeerbare investeringen zijn gedaan.

Naar het oordeel van het College heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last die het gevolg is van het fosfaatrechtenstelsel. Daarvoor acht het College van belang dat appellante de voor de uitbreiding van haar veestapel vereiste vergunning pas op 11 november 2016 heeft verkregen. Appellante is dus met de door haar gedane investeringen vooruitgelopen op die vergunning. Zoals het College eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:7), is dan in beginsel geen ruimte om aan te nemen dat sprake is van strijd met artikel 1 van het EP. Dit uitgangspunt geldt ook wanneer dat voor appellante aanzienlijke financiële consequenties heeft. Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

Verweerder heeft in het bestreden besluit het betoog van appellante over de individuele en buitensporige last verworpen met als enige motvering dat van bijzondere omstandigheden, anders dan een financiële last, niet is gebleken. Gelet hierop is het bestreden besluit naar het oordeel van het College niet deugdelijk gemotiveerd en dus in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het College ziet aanleiding dit gebrek te passeren op grond van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Verweerder is immers alsnog nader op het betoog van appellante ingegaan en deze nadere motivering snijdt hout. Daarom zal het College het beroep ongegrond verklaren.

Wel ziet het College aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2019.

w.g. R.C. Stam w.g. L. ten Hove

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JBO 2019/524 met annotatie van Meijden, D. van der
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?