COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2020 in de zaak tussen
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
uitspraak
zaaknummer: 17/1307
Maatschap [naam 1], te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante
(gemachtigde: mr. C.M.H. Cohen),
en
(gemachtigde: mr. J.H. Eleveld).
Procesverloop
Bij besluit van 27 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante een heffing opgelegd van € 5.155,00 voor periode 1.
Bij besluit van 13 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020. Namens appellante zijn verschenen [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen zijn gemachtigde.
Overwegingen
Verweerder heeft tijdens de behandeling ter zitting toegelicht dat de situatie van appellante geen bijzondere situatie is waarvoor hij een uitzondering kan maken. Verweerder merkt de vergissing van appellante aan als een bedrijfsrisico. De Regeling en de bedoeling daarvan zijn voldoende kenbaar gemaakt. Volgens verweerder zijn de omstandigheden niet zodanig dat hij ontheffing dient te verlenen van de opgelegde verplichting tot het betalen van de heffing als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet.
Gelet op het verhandelde ter zitting gaat het College ervan uit dat appellante in 2016 te maken kreeg met de door haar gestelde bijzondere omstandigheden en dat deze ook nog hun invloed hadden in de periode dat zij het aantal dieren moest terugbrengen. Reductie van het aantal dieren heeft niet tijdig plaatsgevonden. Appellante had de wens de Regeling uit te voeren en was ook in staat om aan de voorwaarden van de Regeling te voldoen. Zij heeft zich echter onvoldoende gerealiseerd dat er teveel tijd zat tussen de verkoop van de dieren en het moment waarop de dieren het bedrijf hebben verlaten. Appellante heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat er een direct verband bestaat tussen de door haar gestelde bijzondere omstandigheden en het niet eerder kunnen afvoeren van de dieren. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat de veestapel door een vergissing van appellante niet tijdig is gereduceerd, tot het bedrijfsrisico van appellante behoort. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen afzien van toepassing van zijn discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet. De beroepsgrond faalt.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Daalder, in aanwezigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2020.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.