ECLI:NL:CBB:2020:42

ECLI:NL:CBB:2020:42, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 21-01-2020, 17/260

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 21-01-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 17/260
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Gravenhage
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006358

Samenvatting

Gedurende hoger beroepsprocedure heeft verweerder een nieuw besluit genomen waarin tegemoet gekomen wordt aan de bezwaren van appellante. Appellante trekt niet in en verzoekt om meer dan de forfaitaire proceskosten. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk en het verzoek om een hogere proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

[naam] BV, te [plaats] , appellante

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

uitspraak

zaaknummer: 17/260

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2020 op het hoger beroep van:

(gemachtigde: mr. S. Jansen),

en

Procesverloop

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 26 januari 2017.

Bij besluit van 3 april 2019 heeft verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante van 19 maart 2014, genomen. Het bezwaar van appellante is daarbij gegrond verklaard. Voorts heeft verweerder aangegeven de forfaitaire proceskosten in hoger beroep en het griffierecht te vergoeden.

Appellante heeft bij brief van 15 april 2019 aangegeven dat met het besluit van 3 april 2019 tegemoet gekomen is aan het hoger beroep, voor wat betreft de boete, maar niet wat betreft de proceskosten. Verzocht wordt het beroep gegrond te verklaren en wegens bijzondere omstandigheden een volledige kostenvergoeding toe te kennen aan appellante.

Verweerder heeft een verweerschrift op het verzoek van appellante ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2019.

Appellante en verweerder zijn beiden, met voorafgaand bericht, niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

Het College stelt vast dat verweerder met het besluit van 3 april 2019 aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen.

Nu verweerder aan appellante tegemoet is gekomen, is het procesbelang van appellante komen te vervallen. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Op grond van artikel 8:75, eerste lid, in samenhang met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan het College verweerder veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Appellante heeft betoogd dat in haar situatie sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Bpb), op grond waarvan moet worden afgeweken van de forfaitaire kostenvergoeding en een volledige kostenvergoeding moet worden toegekend.

Verweerder stelt geen aanleiding te zien voor het oordeel dat voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten een hogere vergoeding moet worden toegekend in afwijking van de forfaitaire bedragen, nu de zaak van gemiddelde zwaarte is en niet meer dan een normale tijdsbesteding aan rechtshulp in hoger beroep vroeg.

Met betrekking tot de verleende rechtsbijstand is gelet op de aard van de zaak en de aard van de daarin noodzakelijkerwijs te verrichte proceshandelingen, geen sprake van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om af te wijken van het in artikel 2, eerste lid, van het Bpb vastgesteld forfaitaire stelsel. De zaak is van gemiddelde zaakszwaarte en vroeg naar zijn aard geen tijdsbesteding van de gemachtigde die op bijzondere wijze afwijkt van vergelijkbare zaken.

Met betrekking tot het deskundigenrapport en de gemaakte accountantskosten stelt het College vast dat verweerder de beslissing op bezwaar heeft herzien in verband met door het College gewezen jurisprudentie. Er is niet gebleken dat het deskundigenrapport of de gemaakte accountantskosten hebben bijgedragen aan het nieuwe standpunt van verweerder. Daarom komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Op grond van bovenstaande veroordeeld het College verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, in samenhang met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in de forfaitaire kosten van het hoger beroep. Met inachtneming van het Bpb worden de kosten bedoeld in artikel 1, onder a, vastgesteld op € 525,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2020.

w.g. R.W.L. Koopmans w.g. D.A. Bohlmeijer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?