COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2020 in de zaken tussen
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
uitspraak
zaaknummers: 18/347, 18/552 en 19/359
Maatschap [naam 1], te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante,
(gemachtigde: mr. B.D. Bos),
en
(gemachtigden: mr. J.H. Eleveld en mr. B. Raven).
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 23 september 2017 en 25 november 2017 (de primaire besluiten) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante hoge geldsommen opgelegd van € 518,00 voor periode 3 en van € 4.090,00 voor periode 4.
Bij onderscheiden besluiten van 19 januari 2018 en 16 maart 2018 (de bestreden besluiten 1) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten 1.
Bij besluit van 16 juni 2018 heeft verweerder voor de periodes 1 tot en met 5 nieuwe geldsommen vastgesteld. Voor periode 3 heeft verweerder een hoge geldsom opgelegd van € 1.291,00, voor periode 4 een hoge geldsom van € 5.126,00 en voor periode 5 een hoge geldsom van € 5.347,000.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 juni 2018.
Verweerder heeft bij besluit van 11 januari 2019 (het bestreden besluit 2) dat bezwaar ongegrond verklaard en voor zover het bezwaar zich richt tegen de Regeling niet-ontvankelijk.
Appellante heeft beroep ingesteld het bestreden besluit 2.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen Inleiding
Slotsom
“Onze Minister kan in door hem te bepalen gevallen of groepen van gevallen tot gehele of gedeeltelijke restitutie overgaan van hetgeen ingevolge het bepaalde krachtens het eerste lid is betaald en gehele of gedeeltelijke ontheffing verlenen van een krachtens het eerste lid opgelegde verplichting tot het betalen van een geldsom.”
Nu de activering van het jongveegetal uitsluitend is gebaseerd op dit ene kalf, appellante het kalf heeft afgevoerd ten behoeve van de slacht en op basis van gemaakte afspraken in de veronderstelling was en ook mocht zijn dat het kalf op korte termijn en zeker in 2017 zou worden geslacht, had verweerder in dit bijzondere geval aanleiding moeten zien deze hardheidsclausule toe te passen voor zover als gevolg van de activering van het jongveegetal een geldsom is opgelegd, omdat het strikt volgen van de Regeling in dit geval onevenredige gevolgen met zich brengt.
9. Gelet hierop mocht op basis van de activering van het jongveegetal geen hoge geldsom worden opgelegd. Dit betekent niet dat appellante helemaal geen geldsom mocht worden opgelegd. Uit de stukken die onderdeel uitmaken van het geding blijkt dat appellante over periode 4 ook zonder de activering van het jongveegetal een hoge geldsom is verschuldigd. Dit gaat om een bedrag van 216,- euro. Deze hoge geldsom moet appellante dus nog betalen. Verweerder is er voor de periodes 3 en 5 niet toe gehouden een bonusgeldsom toe te kennen, terwijl aan de voorwaarden daartoe niet is voldaan. Dit betekent dat appellante voor periode 4 een hoge geldsom moet betalen van 216,- euro en voor de periodes 3 en 5 niets hoeft te betalen, maar ook niets krijgt.
10. Het beroep is gegrond en het College zal de bestreden besluiten vernietigen vanwege strijd met artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet, de primaire besluiten en het besluit van 16 juni 2018 herroepen en, zelf voorziend, bepalen dat appellante voor periode 4 een hoge geldsom moet betalen van 216,- euro en voor de periodes 3 en 5 geen geldsommen verschuldigd is.
10. Tot slot zal het College verweerder veroordelen in de door appellante gemaakte kosten van bezwaar en beroep, waarbij de verschillende zaken als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden aangemerkt.
Beslissing
Het College
-verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;
- herroept de primaire besluiten en het besluit van 16 juni 2018 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;
- stelt de heffing voor periode 4 vast op 216,- euro;
- stelt de heffing voor periode 3 en 5 vast op nihil;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 2.100,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 1.021,- aan appellante te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. B. van Dokkum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2020.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. mr. B. van Dokkum