COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2020 in de zaak tussen
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
uitspraak
zaaknummers: 18/163, 19/299
[naam 1] en [naam 2], te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellanten
(gemachtigde: mr. drs. C.C. van Harten),
en
(gemachtigde: mr. G. Meijerink)
en
Procesverloop
Bij besluit van 3 augustus 2017 (het primaire besluit 1) heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellanten een heffing opgelegd van € 6.907,- voor periode 2.
Appellanten hebben tegen het primaire besluit 1 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 19 september 2017 heeft verweerder het primaire besluit 1 ingetrokken.
Bij besluit van 29 september 2017 heeft verweerder het bezwaar van appellanten tegen het primaire besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en aan appellanten een proceskostenvergoeding toegekend.
Bij besluit van 21 december 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het besluit van 29 september 2017 herroepen voor zover daarbij een proceskostenvergoeding is toegekend.
Bij besluit van 22 september 2018 (het primaire besluit 2) heeft verweerder op grond van de Regeling aan appellanten heffingen opgelegd van € 1.653,- voor periode 1, € 8.170,- voor periode 2, € 7.075,- voor periode 3, € 9.648,- voor periode 4 en € 7.008,- voor periode 5.
Bij besluit van 17 december 2018 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten 1 en 2.
Appellanten hebben een nader stuk ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft partijen telefonisch gehoord op 13 mei 2020. Het beroep is gevoegd behandeld met de beroepen, geregistreerd onder zaaknummers 18/956, 18/957, 18/963, 18/964 en 18/965. Appellanten en verweerder hebben zich tijdens de telefonische hoorzitting (zitting) laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Na de zitting heeft het College de behandeling van de zaken gesplitst.
Overwegingen
Anders dan appellanten begrijpt het College de brief van verweerder van 22 september 2017 aldus dat verweerder daarin te kennen heeft gegeven, in afwachting van het arrest op het hoger beroep dat hij heeft ingesteld tegen de vonnissen van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 4 mei 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:4632 - 4638), tijdelijk en met terugwerkende kracht geen gebruik te zullen maken van de hem toekomende bevoegdheid om op de grond van de Regeling heffingen op te leggen. Verweerder heeft appellante er in die brief voorts op gewezen dat naar aanleiding van het oordeel in hoger beroep alsnog heffingen kunnen worden opgelegd. Appellante mocht er op basis van deze brief dan ook niet van uitgaan dat verweerder de aan de Regeling te ontlenen bevoegdheid later niet alsnog zou gaan uitoefenen. Het stond verweerder dan ook vrij om na de arresten van het gerechtshof Den Haag (zie de arresten van 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3067-3072) opnieuw of alsnog heffingen op te leggen aan appellante. Dat appellante haar bedrijfssituatie voor enkele periodes waarover de heffingen zijn opgelegd niet meer kon aanpassen, betekent niet dat de Regeling niet meer kon worden toegepast.
10. Het beroep is ongegrond.
10. Appellanten hebben aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden en zij hebben in verband daarmee verzocht een immateriële schadevergoeding toe te kennen.
Het gaat hier om niet-punitieve procedures die volgen op primaire besluiten die zijn bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor compensatie is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder ambtshalve het besluit op bezwaar van 29 september 2017, dat reeds in rechte vaststond, herroepen. Het College laat de tweejaartermijn daarom starten op het moment dat het beroepschrift door het College is ontvangen, te weten 26 januari 2018. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met meer dan vijf maanden overschreden. Van factoren die aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Appellante heeft daarom in deze zaak recht op € 500,- schadevergoeding.
Het College stelt vast dat de overschrijding volledig is toe te rekenen aan het College, omdat de behandeling van het beroep bijna twee en een half jaar heeft geduurd. Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,- aan appellanten.
12. Het College kent appellanten een proceskostenvergoeding toe voor het indienen van het verzoek tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn ten laste van de Staat. Daarbij is uitgegaan van 1 punt tegen een waarde van € 525,- per punt, betreffende vier of meer samenhangende zaken (wegingsfactor 1,5) van licht gewicht (wegingsfactor 0,5).
Beslissing
Het College
- verklaart het beroep in de zaak met nummer 19/299 ongegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan appellanten een vergoeding voor immateriële schade van € 500,- te betalen;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 393,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C.P. Venema, in aanwezigheid van mr. H.A. Komduur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2020.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.