COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2020 in de zaak tussen
[naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
uitspraak
zaaknummers: 18/1616
(gemachtigde: mr. I. Laurijssen),
en
(gemachtigde: mr. M. Krari).
Procesverloop
Bij besluit van 5 juli 2017 heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante een solidariteitsheffing van € 217,- voor periode 1 opgelegd.
Bij besluit van 3 augustus 2017 heeft verweerder aan appellante een hoge geldsom van € 451,- voor periode 2 opgelegd.
Bij besluit van 23 september 2017 heeft verweerder aan appellante een hoge geldsom van € 739,- voor periode 3 opgelegd.
Bij besluit van 25 november 2017 heeft verweerder aan appellante een bonusgeldsom van € 15,- voor periode 4 toegekend.
Bij besluit van 25 juni 2018 heeft verweerder de bezwaren tegen de hiervoor genoemde besluiten ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2020. Appellante is verschenen, vergezeld door [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.Overwegingen
Bij besluit van 5 maart 2015 heeft verweerder de melkveefosfaatreferentie voor appellante definitief vastgesteld op 3.380 kg fosfaat. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Verweerder heeft, naar aanleiding van dit bezwaar, de melkveefosfaatreferentie voor appellante verhoogd tot 3.993 kg fosfaat. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij haar veestapel voor de peildatum al zou hebben uitgebreid als verweerder direct een juist besluit over de melkveefosfaatreferentie had genomen. Volgens verweerder bestond er voor appellante echter geen noodzaak de procedure over de melkveefosfaatreferentie af te wachten. Het College volgt verweerder in dit standpunt. Verweerder voert terecht aan dat de melkveefosfaatreferentie niet het productieplafond bepaalt. Appellante had daarom voor de peildatum al haar veestapel kunnen uitbreiden en zo de in 2014 gerealiseerde stal in gebruik kunnen nemen. Dat zij dit niet heeft gedaan is een bedrijfskeuze en de gevolgen van die keuze dienen naar het oordeel van het College voor rekening van appellante te blijven. Dat aan de uitbreiding van de veestapel vanwege overschrijding van de oorspronkelijke melkveefosfaatreferentie extra kosten waren verbonden maakt dat niet anders. Het College ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de tenuitvoerlegging van de Regeling strijdigheid met artikel 1 van het EP oplevert. Deze beroepsgrond faalt.
6. Appellante heeft in beroep verder verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden omdat zij haar veestapel niet eerder heeft kunnen uitbreiden. Voor zover appellante schade heeft geleden is die naar het oordeel van het College niet het gevolg van de toepassing van de Regeling, maar van de besluitvorming van verweerder met betrekking tot de melkveefosfaatreferentie. In het nu voorliggende beroep heeft verweerder in elk geval geen onrechtmatig besluit genomen, zoals blijkt uit het hiervoor overwogene, en het College ziet in deze procedure dan ook geen grond voor het toewijzen van het verzoek om schadevergoeding. Het College wijst dit verzoek dan ook af.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Daalder, in aanwezigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2020.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.