COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2020 in de zaak tussen
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
uitspraak
zaaknummer: 18/2494
maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante,
en
(gemachtigde: mr. S.J.E. Loontjens).
Procesverloop
Bij besluiten van 3 augustus 2017, 23 september 2017 en 25 november 2017 (de primaire besluiten I) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante heffingen opgelegd van € 1.101,- voor periode 2, van € 224,- voor periode 3 en van € 766,- voor periode 4.
Bij besluit van 16 juni 2018 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan appellante de gecombineerde beschikking fosfaatreductieplan 2017 toegezonden, waarin over de eerdere perioden herberekeningen zijn gemaakt. Bij dit besluit zijn aan appellante heffingen opgelegd van € 1.098,- voor periode 1, van € 1.154,- voor periode 2, van € 277,- voor periode 3, van € 819,- voor periode 4 en van € 1.120,- voor periode 5.
Bij besluit van 7 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Artikel 12, tweede lid, van de Regeling maakt het mogelijk het referentieaantal te bepalen aan de hand van het aantal runderen dat voor de intreding van de dierziekte is geregistreerd. Ingevolge artikel 12, derde lid, van de Regeling, dient de melkveehouder een dergelijk verzoek uiterlijk op 1 april 2017 in te dienen. Appellante heeft niet uiterlijk op 1 april 2017 een verzoek ingediend, zodat niet aan de toepassingsvoorwaarde van artikel 12, derde lid, van de Regeling is voldaan. De door appellante genoemde omstandigheden maken niet dat haar niet valt aan te rekenen dat zij niet tijdig een verzoek om toepassing van de knelgevallenregeling heeft ingediend. Appellante heeft pas op 14 januari 2018 bijzondere omstandigheden gemeld. Van overmacht was geen sprake, omdat deze omstandigheden zich in of vóór 2016 voordeden en dus geruime tijd voor de uiterste datum waarop de melding bijzondere omstandigheden kon worden gedaan. Van de telefonische mededeling van de behandelend medewerker van verweerder om nog eens naar de zaak te kijken, zijn geen stukken in het dossier te vinden. Ook als dat anders zou zijn geweest, houdt de mededeling dat de late melding waarschijnlijk geen probleem is niet een toezegging in op grond waarvan de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de te late melding alsnog in behandeling zou worden genomen. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 15 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:504 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2019:504&showbutton=true&keyword=ECLI%3aNL%3aCBB%3a2019%3a504), terecht op het standpunt gesteld dat appellante deze verwachting evenmin kan ontlenen aan de omstandigheid dat verweerder haar in het kader van het fosfaatrechtenstelsel op basis van artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet alsnog als knelgeval heeft aangemerkt. De beoordeling van een knelgeval in de Regeling kent een ander toetsingskader dan het fosfaatrechtenstelsel. Bovendien gelden voor beide regimes verschillende uiterste termijnen waarbinnen een knelgeval moet worden gemeld. Appellante heeft de uiterste datum voor de melding van een knelgeval binnen de Regeling niet, maar de uiterste datum voor de melding in het kader van het fosfaatrechtenstelsel wel in acht genomen. Verweerder was naar het oordeel van het College dan ook niet gehouden tot een inhoudelijke toetsing aan de knelgevallenregeling van artikel 12 van de Regeling. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in aanwezigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2020.
De voorzitter is verhinderd w.g. P.M.M. van Zantende uitspraak te ondertekenen.