COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2020 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , appellant
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
uitspraak
zaaknummer: 19/778
en
(gemachtigde: mr. W.L.C. Rijk).
Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de definitieve heffing voor het Diergezondheidsfonds Schapen/Geiten voor het jaar 2018 voor appellant vastgesteld op € 220,95.
Bij besluit van 30 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2020. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Bij het primaire besluit heeft verweerder de definitieve heffing voor het Diergezondheidsfonds Schapen/Geiten (hierna: de heffing) voor het jaar 2018 voor appellant vastgesteld op € 220,95. Volgens verweerder hield appellant in 2018 gemiddeld 180 schapen. De heffing voor het jaar 2018 is vervolgens berekend door dit aantal te vermenigvuldigen met het tarief per schaap van € 1,2275.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat bij de berekening van het aantal schapen ten onrechte ook de lammeren zijn meegerekend. Een lam is volgens appellant geen schaap.
2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat in de van toepassing zijnde regelgeving geen onderscheid wordt gemaakt naar leeftijd, geslacht en ras van schapen. Er is geen uitzondering gemaakt voor lammeren.
3. Appellant voert in beroep aan dat bij de berekening van het aantal schapen ten onrechte ook de lammeren zijn meegerekend. De regelgeving heeft het alleen over schapen en niet over lammeren.
4. Voor de beoordeling van deze zaak gaat het College uit van het wettelijk kader zoals dat is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
5. Het College stelt vast dat het begrip ‘schaap’ niet is gedefinieerd in de Gezondheids- en welzijnswet dieren, de Regeling diergezondheidsheffing en het Besluit diergezondheidsheffing. Bij gebreke van een invulling van bedoeld begrip in de regelgeving dient aansluiting te worden gezocht bij het normale spraakgebruik. In het normale spraakgebruik kan een lam worden gedefinieerd als een ‘jong schaap’ (in gelijke zin het Van Dale Groot woordenboek hedendaags Nederlands). Niet gesteld of gebleken is dat in de regelgeving over de diergezondheidsheffing onderscheid is gemaakt naar leeftijd van schapen. Verweerder heeft dan ook terecht de aan appellant opgelegde heffing van € 220,95 gebaseerd op een aantal van 180 gemiddeld bij appellant in 2018 aanwezige schapen.
6. Het hoger beroep is ongegrond.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk, in aanwezigheid van mr. E. van Kampen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2020.
w.g. J.A.M. van den Berk w.g. E. van Kampen
Bijlage
Gezondheids- en welzijnswet dieren
Artikel 91b
Onder de naam diergezondheidsheffing worden heffingen geheven ter bestrijding van de kosten:
a. bedoeld in de artikelen 83 en 88, vijfde lid, voor zover die kosten noodzakelijk zijn met het oog op de bestrijding van op grond van artikel 15, eerste lid, aangewezen besmettelijke ziekten bij diersoorten die bij of krachtens de artikelen 91c en 91d (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005662/2019-01-01) zijn aangewezen, dan wel met het oog op het weren van de op grond van artikel 15, eerste lid, aangewezen besmettelijke dierziekten of van andere dierziekten;
b. van de tegemoetkomingen, bedoeld in de artikelen 86, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en 90, alsmede de vergoedingen bedoeld in artikel 91 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005662/2019-01-01), voor zover die tegemoetkomingen onderscheidenlijk vergoedingen voortvloeien uit de bestrijding of het weren van op grond van artikel 15, eerste lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005662/2019-01-01), aangewezen besmettelijke ziekten bij diersoorten die bij of krachtens de artikelen 91c (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005662/2019-01-01) en 91d (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005662/2019-01-01) zijn aangewezen;
c. van door Onze Minister getroffen maatregelen en voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 3, voor zover die kosten noodzakelijk zijn met het oog op de bestrijding van voor op grond van artikel 15, eerste lid, aangewezen besmettelijke ziekten bij diersoorten die bij of krachtens de artikelen 91c en 91d (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005662/2019-01-01) zijn aangewezen, waartoe tevens gerekend worden de kosten van door Onze Minister getroffen maatregelen en voorzieningen die noodzakelijk zijn met het oog op de bescherming van het welzijn van dieren dan wel met het oog op onderzoek naar de mate van verspreiding van die ziekten in Nederland;
d. van tegemoetkomingen voor maatregelen ter bestrijding van zoönosen of zoönoseverwekkers bij dieren die behoren tot de diersoorten die zijn aangewezen bij of krachtens de artikelen 91c en 91d, tot het nemen van welke maatregelen de houder op grond van EU-verordeningen of EU-besluiten als bedoeld in artikel 81a is gehouden;
e. van het weren van ziekten die door de diersoorten die zijn aangewezen bij of krachtens de artikelen 91c en 91d kunnen worden overgebracht op de mens en die alleen de gezondheid van de mens aantasten, en waarop op grond van artikel 103 bepalingen van deze wet geheel of gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing zijn verklaard;
f. van het weren van tegen antimicrobiële diergeneesmiddelen resistente bacteriën bij diersoorten die bij of krachtens de artikelen 91c en 91d zijn aangewezen;
g. die noodzakelijk zijn met het oog op de heffing en invordering van de heffingen.
Artikel 91c
1. De diergezondheidsheffing wordt geheven ter zake van het houden in de uitoefening van een bedrijf van:
(…)
d. Schapen
Artikel 91f
1. De diergezondheidsheffing voor het houden van dieren wordt geheven naar het aantal dieren van een diersoort of diercategorie dat in een kalenderjaar wordt gehouden.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de berekeningswijze van het aantal dieren, bedoeld in het eerste lid, welke regels per diersoort of diercategorie kunnen verschillen.
(…)
Regeling diergezondheidsheffing
Artikel 1
Het aantal dieren dat in een kalenderjaar wordt gehouden, bedoeld artikel 91f, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, wordt voor de diersoorten schapen en geiten berekend door het aantal aanwezige schapen of geiten op 1 februari, 1 mei, 1 augustus en 1 november van dat kalenderjaar op te tellen en te delen door vier.
Besluit diergezondheidsheffing
Artikel 10
Het tarief voor de diergezondheidsheffing ter zake van het houden van schapen of geiten bedraagt € 1,2275 per schaap of geit.