ECLI:NL:CBB:2021:156

ECLI:NL:CBB:2021:156, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 16-02-2021, 18/1467, 18/1633, 18/1669 en 18/1673-1675

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 16-02-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/1467
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Gravenhage
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 5 zaken
Aangehaald door 2 zaken
13 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001840 BWBR0004054 BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0009641 BWBR0019031 BWBR0039205 CELEX:31991L0676 CELEX:32000X1218 CELEX:32007R0834 EU:31991L0676 EU:32000X1218 EU:32007R0834

Samenvatting

Regeling fosfaatreductieplan 2017. De in artikel 12 van de Regeling neergelegde knelgevallenregeling biedt verweerder niet de mogelijkheid rekening te houden met beoogde, maar niet gerealiseerde groei van de veestapel. Verweerder heeft appellante daarom terecht niet als knelgeval aangemerkt. Hetgeen appellante over het volgens haar aan de primaire besluiten klevende bevoegdheidsgebrek heeft aangevoerd kan haar niet baten, alleen al omdat dergelijke gebreken in de bezwaarfase kunnen worden hersteld met een bevoegd genomen besluit. De Regeling heeft een wettelijke grondslag in artikel 13 van de Landbouwwet. De Regeling is ook van toepassing op biologische melkveehouders. Volgens het College is de besluitvorming van verweerder niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden. Het College ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het rechtsbeginsel van egalité devant les charges publiques is geschonden. Bezwaren over verrekening van de heffingen op basis van de Regeling met het melkgeld moeten aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2021 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

uitspraak

Zaaknummers: 18/1467, 18/1633, 18/1669 en 18/1673-1675

(gemachtigde: mr. J. van Groningen),

en

(gemachtigde: mr. M. Krari).

Procesverloop

Zaaknummer 18/1633

Bij besluit van 28 augustus 2017 heeft verweerder het verzoek van appellante om de zogenoemde knelgevallenregeling toe te passen bij de tenuitvoerlegging van de Regeling fosfaatproductie 2017 (de Regeling) toegewezen.

Bij besluit van 4 juli 2018 heeft verweerder het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Zaaknummers 18/1467, 18/1669, 18/1673-1675

Bij besluiten van 2, 6, 9, 16 december 2017 en 27 januari 2018, heeft verweerder op grond van de Regeling aan appellante solidariteitsgeldsommen opgelegd van onderscheidenlijk € 13.002,- voor periode 1, € 9.746,- voor periode 2, € 10.380,- voor periode 3, € 10.364,- voor periode 4 en € 10.438.- voor periode 5.

Bij besluiten van 19 juni en 4 juli 2018 heeft verweerder de door appellante tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Beroep

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van 19 juni en 4 juli 2018.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeur-grootaandeelhouder, [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 3] .

Overwegingen

Inleiding

De in beroep bestreden besluiten zijn door een ondergeschikte van verweerder, namens verweerder genomen. Aan dat mandaat kleeft geen gebrek en appellante heeft dat ook niet naar voren gebracht. Het is vaste rechtspraak dat een aan een primair besluit klevend bevoegdheidsgebrek in bezwaar kan worden hersteld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 21 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:419). Hetgeen appellante naar voren heeft gebracht kan alleen al daarom niet tot de vernietiging van de bestreden besluiten leiden.

8. Appellante betoogt verder dat artikel 13 van de Landbouwwet geen wettelijke grondslag biedt voor de Regeling – en daarom in strijd met het legaliteitsbeginsel en het specialiteitsbeginsel tot stand is gekomen – en dat de Regeling in strijd is met artikel 1 van het EP.

Het College heeft eerder al geoordeeld dat de minister voldoende heeft onderbouwd dat de Regeling een doel dient als bedoeld in artikel 13 van de Landbouwwet en dat de Regeling als zodanig niet in strijd is met artikel 1 van het EP. Het College volstaat op deze plaats met een verwijzing naar zijn overwegingen in de uitspraken van 21 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:419 en ECLI:NL:CBB:2018:421. Deze beroepsgrond slaagt niet.

9. Appellante betoogt verder dat de Regeling niet van toepassing zou moeten zijn op biologische melkveehouderijen, omdat zij geen aandeel hebben in het probleem dat in Nederland is ontstaan rondom de verlenging van de derogatie door het overschrijden van het zogenoemde fosfaatplafond. De biologische melkveehouders moeten namelijk voldoen aan de Europese biologische verordeningen, waarbij geen derogatie mogelijk is. De biologische bedrijven opereren op een eigen mestmarkt en hebben al langer een plicht om grondgebonden te zijn. Door het betrekken van de biologische melkveehouders in de fosfaatwetgeving ervaart appellante een strijdigheid met de huidige EU Verordening inzake biologische productie (Verordening EG nr. 889/2008 en nr. 834/2007), nu dit Europese wettelijk kader juist is gericht op het verzekeren van eerlijke concurrentie en een goede werking van de interne markt voor biologische producten. De Verordening introduceert één set regels die in de hele EU voor de volledige biologische sector geldt. Het belasten van Nederlandse biologische melkveehouders met een kostbaar fosfaatstelsel creëert een ongelijk speelveld met verstoring van de interne markt, aldus appellante. Bovendien wordt gehandeld in strijd met het in Europese regelgeving opgenomen uitgangspunt dat de vervuiler betaalt, aangezien de heffingen worden opgelegd om de derogatie in stand te houden, terwijl biologische melkveehouderijen geen gebruik maken van de derogatie, aldus appellante.

Het hof Den Haag heeft in zijn uitspraken van 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3067-3072 in reactie op vergelijkbare betogen van biologische melkveehouders als volgt geoordeeld:"De Regeling strekt ertoe dat wordt voldaan aan de aan de derogatie verbonden voorwaarde dat het nationale mestplafond niet wordt overschreden. Ten aanzien van dat mestplafond wordt geen onderscheid gemaakt naar de aard en herkomst van de mest. De op de biologische bedrijven geproduceerde mest telt dan ook volledig mee voor dat nationale mestplafond, ongeacht de wijze waarop deze mest vervolgens wordt verwerkt. De Regeling grijpt in op de mestproductie door een reductie van de veestapel te bewerkstelligen. Tegen de achtergrond van de werking van de Regeling nemen biologische veehouders dus geen bijzondere positie in. Hoewel de biologische veehouders geen gebruik maken van de derogatie, draagt (de groei van) hun bedrijf wel bij aan de mogelijke overschrijding van het landelijke fosfaatplafond. Ook voor biologische veehouders is te voorzien geweest dat een ongeremde groei van de veestapel de aan de derogatie verbonden voorwaarden in gevaar zou kunnen brengen en dat er daarom productiebegrenzende maatregelen zouden kunnen gaan gelden. Uit de uitlatingen van de staatssecretaris is niet af te leiden dat er voor biologische bedrijven een uitzondering zou gelden wanneer dergelijke productiebeperkende maatregelen aan de orde zouden zijn. De keuze van de staatssecretaris om biologische bedrijven die zijn gegroeid en daarmee hoe dan ook aan de (stijging van de) fosfaatproductie hebben bijgedragen, niet uit te sluiten van productiebegrenzende maatregelen kan ook overigens niet als onmiskenbaar onjuist worden beschouwd. Dat een andere keuze, waarbij groei van biologische bedrijven zou zijn toegestaan ten koste van de omvang van andere, niet biologische bedrijven, denkbaar en mogelijk ook billijk was geweest, zoals geïntimeerden stellen, vergt een politiek oordeel dat niet aan de rechter is."Het College onderschrijft dit oordeel, dat ook door de Hoge Raad in stand is gelaten (zie zijn arresten van 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2374-2375). In zoverre faalt het betoog.

Voor zover appellante betoogt dat toepassing van de Regeling op biologische melkveehouderijen in strijd is met de Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft, slaagt de beroepsgrond evenmin. Met de Regeling wordt beoogd het aantal runderen en daarmee de fosfaatproductie op Nederlandse bodem te reduceren. Dit betekent dat de Regeling invloed heeft op de omvang van het bedrijf, maar niet op de wijze waarop dat bedrijf produceert. Van strijd met de Verordening, die regels bevat over de productie van biologische producten in de Europese Unie, en verstoring van de interne markt is dan ook geen sprake.

10. Appellante betoogt verder dat verweerder niet heeft onderkend dat toepassing van de Regeling voor haar een individuele en buitensporige last oplevert. Volgens appellante is de besluitvorming van verweerder in strijd met artikel 1 van het EP. Eind 2014 heeft appellante besloten om te schakelen van biologisch vleesveebedrijf naar biologisch melkveebedrijf. De reden hiervoor is dat het niet langer lonend was een biologisch vleesveebedrijf te exploiteren. In 2014 kon appellante niet voorzien dat fosfaatproductiebeperkende maatregelen genomen zouden worden. Ruim voor de peildatum heeft appellante onomkeerbare investeringen gedaan ten behoeve van de transitie. Op de peildatum, 2 juli 2015, was de omvang van de veestapel nog niet zo groot als beoogd. Appellante kan de beoogde uitbreiding nu niet alsnog realiseren, terwijl zij veel vleesvee heeft weggedaan en grote investeringen in de omschakeling heeft gedaan. Daarbij heeft verweerder haar forse heffingen opgelegd, van in totaal € 53.930,-. Verweerder is hier in zijn besluitvorming geheel aan voorbijgegaan, aldus appellante.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de tenuitvoerlegging van de Regeling een individuele en buitensporige last te dragen heeft, zodat sprake is van strijdigheid met artikel 1 van het EP. Het College overweegt hiertoe als volgt.

De wetgever heeft de productie van fosfaat in de melkveehouderij aan banden willen leggen, omdat de Nederlandse veehouderij in 2015 meer fosfaat heeft geproduceerd dan is toegestaan op basis van Europese afspraken en juist in de melkveehouderij de fosfaatproductie sterk is toegenomen. De wetgever heeft hiertoe op 1 januari 2018 het stelsel van fosfaatrechten ingevoerd. Verder heeft hij besloten om melkveehouders in 2017 – het jaar voorafgaand aan de invoering van het fosfaatrechtenstelsel – te stimuleren hun fosfaatproductie terug te brengen tot het referentieaantal. Hiertoe heeft de wetgever de Regeling tot stand gebracht. De Regeling maakt deel uit van een maatregelenpakket dat tot doel heeft de fosfaatproductie in Nederland voor het einde van 2017 terug te brengen tot het niveau dat als voorwaarde is verbonden aan de derogatiebeschikking Nitraatrichtlijn. Op basis van de Regeling kan verweerder heffingen opleggen aan melkveehouders die meer GVE houden dan het referentieaantal en bonusgeldsommen toekennen aan melkveehouders die minder GVE houden dan op de peildatum. Met de Regeling beoogt de wetgever – kort samengevat – dat de melkveehouders het aantal GVE terugbrengen. Het opleggen van heffingen en het toekennen van bonusgeldsommen zijn de middelen om dit doel te bewerkstelligen. Vanwege de hoogte van deze geldbedragen worden melkveehouders belemmerd in het ongestoord blijven uitvoeren van de gebruikelijke bedrijfsvoering of in plannen om de bedrijfsvoering in een zelfgekozen richting te veranderen.

De inbreuk op het eigendomsrecht ontstaat door de vaststelling van het referentieaantal. Als gevolg daarvan kan de melkveehouder namelijk niet meer runderen houden dan het referentieaantal, zonder dat aan hem heffingen worden opgelegd. De last die de individuele melkveehouder te dragen heeft bestaat eruit dat het hem niet vrijstaat zijn melkveebedrijf voort te zetten of uit te breiden op een zelfgekozen wijze, omdat aan hem dan heffingen kunnen worden opgelegd. Ook een melkveehouder aan wie verweerder bonusgeldsommen heeft toegekend draagt deze last. Voor een melkveehouder aan wie verweerder heffingen heeft opgelegd omdat hij zijn veestapel niet of onvoldoende heeft teruggebracht, bestaat de last, naast de beperking van de bedrijfsvoering, uit deze heffingen.

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval. In dat verband is vooral de mate waarin het in de Regeling opgenomen stelsel van maatregelen de individuele melkveehouder raakt relevant. Niet ieder inkomens- of vermogensverlies als gevolg van de opgelegde heffingen en de inperking van de exploitatiemogelijkheden – waardoor bijvoorbeeld ook investeringen nutteloos of beperkt nuttig zijn geworden – als gevolg van de tenuitvoerlegging van de Regeling vormt een buitensporige last.

Bij de beoordeling of de last buitensporig is, staat verder voorop dat de beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, om deze te verhuren of te verkopen, of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die risico’s draagt en dat niet ieder inkomens- of vermogensverlies als gevolg van de tenuitvoerlegging van de Regeling een individuele en buitensporige last vormt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemersbeslissing in de gegeven omstandigheden – wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin en de reden waarom is geïnvesteerd – navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren en waarover het College in zijn uitspraak van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291 heeft geoordeeld. Bovendien moeten er goede redenen zijn om aan te nemen dat geen evenwicht bestaat tussen de belangen die zijn gediend met de Regeling (het behoud van de derogatie in het belang van de gehele melkveesector) en de belangen van de melkveehouder (vergelijk de uitspraak van het College van 25 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:114).

Verweerder heeft er terecht op gewezen dat op het moment dat appellante de omschakeling van haar bedrijf feitelijk in gang zette voorzienbaar was dat productiebeperkende maatregelen zouden kunnen volgen om de fosfaatuitstoot terug te brengen. Appellante heeft er desondanks voor gekozen de bouwwerkzaamheden doorgang te laten vinden. Hiertoe heeft zij besloten omdat haar vleesveebedrijf volgens haar niet rendabel was. Dat het vleesveebedrijf niet rendabel was en appellante daarom van koers moest veranderen betekent naar het oordeel van het College evenwel niet dat er een noodzaak bestond een melkveebedrijf te starten. De beslissing die appellante in 2014 heeft genomen om haar vleesveebedrijf om te zetten in een melkveebedrijf, terwijl bekend was dat het melkquotum zou worden afgeschaft en er in verband met die afschaffing productiebeperkende maatregelen te verwachten waren, acht het College niet navolgbaar.

Het College wil, op basis van het door appellante ter zitting aangevoerde, wel aannemen dat zij (financieel) stevig wordt geraakt door de tenuitvoerlegging van de Regeling. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit evenwel voort dat appellante zelf de risico’s die zijn verbonden aan haar investeringsbeslissingen dient te dragen en dat zij nadelige gevolgen van een door haar genomen beslissing om haar bedrijfsvoering te wijzingen zelf moet dragen. Het College ziet geen aanleiding om daar in dit geval van af te wijken.

Het behoud van de derogatiebeschikking in het belang van de gehele melkveesector weegt in dit geval zwaarder dan de belangen van appellant. De besluiten van 19 juni en 4 juli 2018 zijn niet in strijd met artikel 1 van het EP.

11. Gelet op het hiervoor overwogene ziet het College geen grond om appellante te volgen in haar standpunt dat de besluitvorming van verweerder in strijd met het rechtsbeginsel van egalité devant les charges publiques (gelijkheid voor openbare lasten) is genomen.

11. Appellante betoogt ten slotte dat verrekening van een bestuurlijke geldschuld blijkens artikel 4:93 van de Awb alleen mogelijk is als dat bij wettelijk voorschrift is voorzien. Omdat hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat, hadden de aan haar opgelegde heffingen niet met het melkgeld verrekend mogen worden, aldus appellante.

De verrekening van de heffingen met het melkgeld draagt een privaatrechtelijk karakter. Daarmee valt dit buiten de bevoegdheid van de bestuursrechter en appellante zal daarop betrekking hebbende bezwaren aan de burgerlijke rechter voor moeten leggen.Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Daalder, in aanwezigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2021.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?