COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 maart 2022 op het hoger beroep van:
[naam 1] , gevestigd op [plaats] , appellante,
uitspraak
zaaknummer: 21/835
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 11 juni 2021, nummer 21/59 Wtra AK (ECLI:NL:TACAKN:2021:38), gegeven op een klacht, door appellante ingediend tegen [naam 2] RA (gemachtigde: mr. F.T. Serraris)
Procesverloop in hoger beroep
Appellante heeft op grond van artikel 43 van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) hoger beroep ingesteld tegen de bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2022. Namens appellante was [naam 3] aanwezig. [naam 2] heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Het College heeft op verzoek van appellante het onderzoek heropend en haar in de gelegenheid gesteld nadere stukken in te dienen.
Appellante heeft nadere stukken ingediend. [naam 2] heeft daarop gereageerd.
Partijen hebben binnen de daarvoor aan hen geboden termijn niet kenbaar gemaakt dat zij op een nadere zitting gehoord willen worden. Vervolgens heeft het College het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 43, eerste lid, van de Wtra kan binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak van de accountantskamer hoger beroep worden ingesteld bij het College. In artikel 43a, eerste lid, van de Wtra is bepaald dat hoger beroep wordt ingesteld door het indienen van een beroepschrift bij het College.
2. Op 5 augustus 2021 is op de griffie van het College het op 3 augustus 2021 gedateerde beroepschrift van appellante ontvangen.
3. Het College stelt vast dat in de uitspraak van de accountantskamer is vermeld dat een afschrift hiervan aan partijen is verzonden op 11 juni 2021. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is daarom ingegaan op 12 juni 2021 en de laatste dag waarop tijdig een beroepschrift kon worden ingediend was 23 juli 2021.
Appellante voert ten eerste aan dat zij het beroepschrift niet tijdig heeft kunnen indienen omdat zij pas op 12 juli 2021 het proces-verbaal van de zitting bij de accountantskamer heeft ontvangen. Dit proces-verbaal behoort tot de gedingstukken en zonder het proces-verbaal kon zij niet beoordelen of hoger beroep zinvol was. De termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift zou pas moeten gaan lopen vanaf het moment dat de gedingstukken compleet zijn.
Het College volgt dit betoog niet. Appellante heeft op 5 augustus 2021 een beroepschrift zonder gronden ingediend en verzocht om een nadere termijn voor het indienen van de gronden. Niet is gebleken dat zij dit niet vóór het verstrijken van de beroepstermijn had kunnen doen. Het College wijst er verder op dat appellante stelt het proces-verbaal op 12 juli 2021 te hebben ontvangen. Dat is ruim voor het verstrijken van de beroepstermijn.
Appellante voert ten tweede, met verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 juli 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:1500), aan dat het College de tijdigheid van het hoger beroep niet ambtshalve mag beoordelen.
Dit betoog slaagt ook niet. Naar aanleiding van die uitspraak beoordelen bestuursrechters in beroep niet langer ambtshalve de tijdigheid van het bezwaar en in hoger beroep niet langer de tijdigheid van het beroep. Nog daargelaten dat de zaak van appellante geen bestuursrechtelijke procedure is maar een tuchtprocedure waarop de Wtra van toepassing is, ziet appellante eraan voorbij dat het nu gaat om de tijdigheid van het hoger beroep bij het College zelf.. Artikel 43, eerste lid, van de Wtra is dwingend van aard en daarin staat dat de beroepstermijn begint te lopen op de dag na verzending van de uitspraak van de accountantskamer. Het College mag daar niet van afwijken.
6. Het beroepschrift van appellante is niet tijdig ingediend. Van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding is niet gebleken. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het hoger beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.
7. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.
Beslissing
Het College verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, mr. M.M. Smorenburg en
mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2022.
T.G.M. Simons De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.