COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2022 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats 1] , appellante 1
[naam 2] B.V., te [plaats 2] , appellante 2
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.
uitspraak
zaaknummers: 17/1537 en 17/1538
(gemachtigde: mr. K.J. Defares),
en
(gemachtigde: mr. K.J. Defares),
gezamenlijk: appellanten
en
Procesverloop
Appellante 1 heeft tegen een besluit op bezwaar van verweerder van 15 september 2017 over gehanteerde tarieven voor officiële keuringen in slachthuizen (het bestreden besluit 1, kenmerk 494-4234) beroep ingesteld.
Appellante 2 heeft tegen een besluit op bezwaar van verweerder van 12 september 2017 over gehanteerde tarieven voor officiële keuringen in slachthuizen (het bestreden besluit 2, kenmerk 494-4294) beroep ingesteld.
Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling ter zitting, waarna het College het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.
Overwegingen
1. Op drie verschillende momenten (3 april 2017, 24 april 2017 en 29 juni 2017) zijn door de gemachtigde van appellanten ongeveer 400 beroepen ingesteld. Al deze beroepen zien op dezelfde materie. Op 14 juni 2017 zijn tijdens een regiezitting vier beroepen geselecteerd om te worden behandeld als zogenaamde pilotzaken. De pilotzaken zijn behandeld ter zitting van 30 november 2017. Deze zaken zijn vervolgens met de verwijzingsuitspraak van 17 juli 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:340) voor de beantwoording van prejudiciële vragen verwezen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie). Het Hof van Justitie heeft de prejudiciële vragen beantwoord bij arrest van 19 december 2019 in de gevoegde zaken C-477/18 en C-478/18 (ECLI:EU:C:2019:1126). Vervolgens zijn de pilotzaken opnieuw op zitting behandeld op 17 juli 2020. Het College heeft op 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:707) einduitspraak gedaan in de pilotzaken. De beroepen zijn gegrond verklaard, de betreffende bestreden besluiten zijn vernietigd en bepaald is dat verweerder binnen 26 weken na de dag van verzending van de uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar moet nemen.
2. Het College stelt voorop dat het in deze zaken gaat om het doorberekenen van kosten van keuringen in pluimveeslachterijen. In de pilotzaken ging het om de doorberekening van kosten van keuringen in slachterijen van rood vlees. Voor beide geldt, op een enkele uitzondering na, dezelfde regelgeving voor het doorberekenen van kosten. Zo konden op basis van het Convenant Roodvleeskeuring in die zaken ook kosten worden doorberekend van officiële assistenten die in dienst zijn van de besloten vennootschap Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS). In deze beroepen speelt dat niet. Het gegeven dat appellanten pluimveeslachterijen zijn staat naar het oordeel van het College niet in de weg aan het doen van deze uitspraak. Van essentiële verschillen in de doorberekening van kosten in pluimveeslachterijen en slachterijen van rood vlees is het College niet gebleken.
3. Het College stelt vast dat namens appellanten in beide zaken dezelfde gronden zijn aangevoerd. Op een aantal – naar het oordeel van het College ondergeschikte – punten verschillen die gronden van de gronden in de pilotzaken. Zo is in deze zaken, in tegenstelling tot in de pilotzaken, niet aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden. Verder is in de tweede beroepsgrond in hoofdzaak hetzelfde aangevoerd, maar verschilt de uitwerking op details van de uitwerking van de tweede beroepsgrond in de pilotzaken. Omdat het echter gaat om ondergeschikte verschillen, neemt het College hetgeen over de aangevoerde beroepsgronden is overwogen in de einduitspraak in de pilotzaken van 20 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:707), voor zover relevant, over in deze uitspraak.
4. Het beroep is gegrond en het College vernietigt de bestreden besluiten. Verweerder zal daarom nieuwe besluiten op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van 12 weken.
5. Het College veroordeelt verweerder in de door appellanten gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Het College is van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, van het Bpb. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt het College vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
Het College:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2022.
De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.