COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 augustus 2022 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
uitspraak
zaaknummer: 21/1182
(gemachtigden: [naam 2] en mr. G.H. Blom),
en
(gemachtigden: mr. C. Bergacker en mr. J.S. Makhan-Idu).
Procesverloop
Bij besluit van 6 mei 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante subsidie verleend op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2021.
Bij besluit van 21 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2022. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan de zijde van appellante is voorts verschenen [naam 3] , partner van [naam 2] .
Overwegingen
1. Verweerder heeft aan appellante een bedrag van € 5.282,32 aan subsidie verleend. Daarbij heeft verweerder het eerste kwartaal van het jaar 2019 als referentieperiode gebruikt. Het geschil in deze zaak gaat over de hoogte van de aan appellante verleende subsidie voor het eerste kwartaal van 2021.
2. Appellante is het niet eens met de door verweerder gehanteerde referentieperiode, omdat de omzetgegevens uit die periode volgens haar niet representatief zijn. In de referentieperiode was de omzet namelijk laag, omdat het restaurant een deel van dat kwartaal gesloten was in verband met een verbouwing. Appellante wijst erop dat verweerder zelf ook heeft ingezien dat de referentieperiode van het eerste kwartaal van 2019 niet altijd representatief is. Vanaf het tweede kwartaal van 2021 heeft verweerder daarom een keuzemogelijkheid voor een ander referentiekwartaal aan de regeling toegevoegd. Appellante vindt het onredelijk dat deze mogelijkheid niet geldt voor het eerste kwartaal. Mede ter zitting heeft appellante nader toegelicht dat de verbouwing heeft plaatsgevonden in het kader van de toetreding van de nieuwe aandeelhouder, die nieuwe ideeën had voor de onderneming. Appellante had niet kunnen voorzien dat de verbouwing in 2019 tot gevolg zou hebben dat zij twee jaar later een lager subsidiebedrag zou ontvangen. Onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 17 augustus 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:825) stelt appellante dat de hiervoor genoemde omstandigheden maken dat in haar geval sprake is van een schrijnende situatie, op grond waarvan verweerder had moeten afwijken van de TVL.
Het College overweegt als volgt.
Op grond van artikel 2.2.2, tweede lid, van de TVL geldt in dit geval het eerste kwartaal van 2019 als referentieperiode. De TVL biedt geen mogelijkheid om af te wijken van de in het tweede lid van artikel 2.1.2 en 2.2.2 genoemde referentieperiodes, behalve voor startende ondernemingen als bedoeld in het derde lid van die artikelen.
Het College stelt vast dat appellante niet kan worden aangemerkt als een startende onderneming. Ter zitting heeft appellante ook aangegeven dat zij niet stelt dat zij in aanmerking dient te komen voor de startersregeling, maar dat zij is begonnen met een nieuwe eigenaar en een concept en dat daarmee sprake is van een uitzonderlijk geval waarin het besluit onevenredig nadelig uitpakt en verweerder daarom had moeten afwijken van de TVL.
Zoals het College eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 8 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:594), heeft de regelgever geen hardheidsclausule opgenomen in de TVL. Het doel van de TVL is om te voorkomen dat getroffen ondernemingen in de problemen komen door omzetverlies. Omdat er heel veel aanvragen zijn ingediend, is de uitvoering zo ingericht dat zo veel mogelijk ondernemers zo snel mogelijk een voorschot krijgen uitgekeerd.
Om te zorgen dat de TVL uitvoerbaar blijft, maakt verweerder alleen in zeer bijzondere gevallen een uitzondering. Daarbij kan worden gedacht aan een onderneming die in de referentieperiode te kampen heeft gehad met brand, ernstige ziekte of een overlijden in de directe omgeving, waardoor deze geen referentieomzet heeft en daarom niet in aanmerking komt voor de TVL. Het College vindt dat niet onredelijk.
Het College begrijpt dat appellante in 2019 niet kon voorzien dat de verbouwing tot gevolg zou hebben dat zij nu voor minder subsidie op grond van de TVL in aanmerking komt. Het College heeft echter in vergelijkbare zaken al geoordeeld dat dit geen uitzonderlijke omstandigheid is die maakt dat verweerder toch een uitzondering had moeten maken (zie de uitspraken van 7 september 2021, ECLI:NL:CBB:2021:872, en 31 mei 2022, ECLI:NL:CBB:2022:277). Ook in de door appellante aangehaalde uitspraak van 17 augustus 2021 heeft het College geoordeeld dat een geplande verhuizing en uitbreiding niet zodanig schrijnend is dat verweerder op dit punt dient af te wijken van de TVL.
De conclusie is dat verweerder terecht is uitgegaan van het eerste kwartaal van het jaar 2019 als referentieperiode. Hij heeft zich daarbij ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin het besluit onevenredig nadelig uitpakt.
4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2022.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. K. Naganathar