COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2022 op het verzet van
[naam 1] h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , appellante
zaaknummer: 21/1083
(gemachtigde: M.W. Badulkhan)
Procesverloop
Appellante heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 10 mei 2022.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 9 augustus 2022. Partijen waren daar niet aanwezig.
Overwegingen
1. Het College heeft in de uitspraak van 10 mei 2022 het beroep van appellante tegen het besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (de staatssecretaris) van 14 september 2021 ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellante tegen het eerdere besluit van 20 januari 2021 niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
2. De laatste dag van de bezwaartermijn was 3 maart 2021. Het bezwaarschrift is op 9 april 2021 ontvangen en is daarmee (veel) te laat ingediend.
3. Appellante heeft in haar verzetschrift naar voren gebracht dat het College de standpunten van appellante niet in zijn beoordeling heeft betrokken, aangezien uit de bij het verweerschrift van de staatssecretaris gevoegde stukken niet blijkt dat appellante heeft ingestemd met digitale correspondentie. Ook voert appellante aan dat het College ten onrechte de zwaarwegende financiële belangen van appellante niet heeft meegenomen in zijn oordeel.
4. Zoals ook al is overwogen in de uitspraak van 10 mei 2022 heeft appellante op het aanvraagformulier ingevuld dat zij instemt met digitale correspondentie en heeft de staatssecretaris op 4 december 2020 een e-mailbericht met een notificatie aan het door appellante opgegeven e-mailadres gestuurd. Appellante had dus alert moeten zijn. Als eenmaal is vastgesteld dat er een termijnoverschrijding is en dat deze niet verschoonbaar is, speelt het gegeven dat een besluit grote financiële gevolgen heeft, geen rol. Dan moet niet-ontvankelijkverklaring volgen. Het College verwijst naar zijn uitspraak van 12 oktober 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:931) en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 juli 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:1500). De staatssecretaris heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
5. Het verzet moet ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het beroep van appellante niet inhoudelijk wordt behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
6. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van
H.L.A. Kleinjans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken
op 20 september 2022.
w.g. T.G.M. Simons w.g. H.L.A. Kleinjans