ECLI:NL:CBB:2023:107

ECLI:NL:CBB:2023:107, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-02-2023, 22/397

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 28-02-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/397
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002629

Samenvatting

De vraag is aan de orde of verweerder gelet op de inschrijfdatum terecht de periode 10 februari 2020 – 15 maart 2020 heeft gehanteerd als de referentieperiode bij de beoordeling van de aanvraag van appellante. Appellante heeft onvoldoende aangetoond dat haar onderneming een voortzetting is. Verweerder heeft terecht de betreffende periode als referentieperiode gehanteerd.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2023 in de zaak tussen

QP Facility B.V., te Amsterdam, appellante

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

uitspraak

zaaknummer: 22/397

(gemachtigde: [naam 1] ),

en

(gemachtigden: mr. H.G.M. Wammes en mr. O. Andich).

Procesverloop

Met het besluit van 19 mei 2021 (het afwijzingsbesluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten COVID-19 (TVL-regeling) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 afgewezen.

Met het besluit van 13 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het afwijzingsbesluit gehandhaafd.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het College heeft de zaak op 15 december 2022 op zitting gehandeld.

Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] namens appellante en mr. H.G.M. Wammes en mr. O. Andich namens verweerder.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Aanleiding voor de procedure

2. Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een subsidie op grond van de TVL-regeling voor Q1 van 2021. Met het afwijzingsbesluit is de aanvraag afgewezen.

3. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat de aanvraag is afgewezen, omdat de onderneming van appellante niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. Om dit te beoordelen heeft verweerder, gelet op de inschrijfdatum van de onderneming van appellante in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) een afwijkende referentieperiode gehanteerd op basis van artikel 2.2.2, derde lid, van de TVL-regeling.

Standpunt appellante

4. Appellante voert aan dat verweerder een onjuiste referentieperiode heeft gehanteerd. Verweerder had moeten kijken naar Q1 2019, omdat sprake is van een voortgezette onderneming en niet van een startende onderneming. Appellante stelt onevenredig nadelig te worden getroffen door geen subsidie te krijgen voor de aangevraagde periode. Appellante doet tot slot een beroep op het vertrouwensbeginsel.

Standpunt verweerder

5. Verweerder stelt dat geen sprake is van een voortgezette onderneming maar van een nieuwe onderneming. Verweerder heeft daarom terecht gekeken naar de referentieperiode 10 februari 2020 – 15 maart 2020. In die periode was de omzet nihil, zodat geen sprake kan zijn van een omzetverlies van 30% ten opzichte van de subsidieperiode.

Oordeel van het College

6. Niet in geschil is dat appellante op 10 februari 2020 haar onderneming heeft ingeschreven in het handelsregister van de KvK. De vraag die het College in deze zaak moet beantwoorden is of verweerder gelet op deze inschrijfdatum terecht de periode 10 februari 2020 – 15 maart 2020 heeft gehanteerd als de referentieperiode bij de beoordeling van de aanvraag van appellante.

Uit de uitspraken van het College van 29 maart 2022, ECLI:NL:CBB:2022:138 en ECLI:NL:CBB:2022:139, volgt dat sprake is van voortzetting als de kenmerkende eigenschappen van de onderneming bewaard zijn gebleven. Daarbij kan worden gekeken naar de handelsnaam, welke bedrijfsactiviteiten worden verricht, de overname van activa en klantenbestand en de overname van personeel. Het is daarbij aan appellante om aan te tonen dat sprake is van een voortzetting van de betreffende onderneming.

Verweerder heeft aan appellante gevraagd welke onderneming zij heeft voortgezet en dit te onderbouwen met stukken. Appellante heeft daarop de stukken “Afspraken op hoofdlijnen” van 26 februari 2020 en een koopovereenkomst van 16 april 2020 overgelegd. Hieruit zou volgens appellante volgen dat haar onderneming een voortzetting is van de onderneming [naam 4] B.V.

Het College stelt vast dat appellante geen partij is bij de door haar overgelegde koopovereenkomst van 16 april 2020. Uit deze koopovereenkomst kan daarom niet worden afgeleid dat appellante de onderneming [naam 4] B.V. heeft voortgezet.

Uit de “Afspraken op hoofdlijnen” valt af te leiden dat appellante de inventaris en een deel van het personeel van [naam 4] B.V. heeft overgenomen. Uit dit document valt ook op te maken dat appellante delen van andere ondernemingen heeft overgenomen. Het College stelt daarnaast vast dat appellante een andere handelsnaam heeft en dat appellante haar onderneming onder een andere SBI-code in het handelsregister heeft ingeschreven dan [naam 4] B.V. Appellante heeft op de zitting ook niet duidelijk kunnen maken hoe haar onderneming moet worden gezien als voortzetting van de [naam 4] B.V., anders dan dat zij de inventaris en een deel van het personeel heeft overgenomen. Zo is ook niet duidelijk geworden in hoeverre de bedrijfsactiviteiten van appellante overeenkomen met de bedrijfsactiviteiten van [naam 4] B.V. Gelet hierop komt het College tot het oordeel dat appellante onvoldoende heeft aangetoond dat de kenmerkende eigenschappen van [naam 4] B.V. zijn voortgezet met de onderneming van appellante.

Verweerder heeft daarom terecht toepassing gegeven aan artikel 2.2.2, derde lid, van de TVL-regeling en de periode 10 februari 2020 – 15 maart 2020 als referentieperiode gehanteerd. De door appellante aangevoerde omstandigheden zijn naar het oordeel van het College niet zodanig schrijnend dat verweerder de door appellante gewenste referentieperiode had moeten hanteren. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat geen sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin het besluit onevenredig nadelig zou uitpakken.

8. Voor zover appellante een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, overweegt het College het volgende. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of, en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. In dit geval hoe verweerder de aanvraag van appellante om subsidie voor Q1 2021 zou beoordelen. Het College is niet gebleken van toezeggingen of handelingen die namens verweerder zijn gedaan waaruit appellante heeft kunnen afleiden dat haar een subsidie voor Q1 2021 zou worden verstrekt.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2023.

T. Pavićević A. Verhoeven

Bijlage

De TVL-regeling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 2.2.a1

1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

(…)

getroffen MKB-onderneming: MKB-onderneming die voldoet aan artikel 2.2.1,

tweede lid, onderdelen c, d en e;

(…)

omzet: opbrengst uit levering van goederen en diensten uit de onderneming,

onder aftrek van kortingen en dergelijke en van over de omzet geheven

belastingen;

omzet in de referentieperiode: omzet als bedoeld in artikel 2.2.2, tweede,

onderscheidenlijk derde lid;

omzet in de subsidieperiode: omzet als bedoeld in artikel 2.2.2, vierde lid;

omzetverlies: omzetverlies als bedoeld in artikel 2.2.2, eerste lid;

2. in de artikelen 2.2.1, tweede lid, onderdeel b en 2.2.3, eerste, derde, vierde en

vijfde lid, 2.2.3a, eerst lid, 2.2.3b, eerste lid, en 2.2.3c, eerste lid, staat:

- A voor de omzet in de referentieperiode, uitgedrukt in Euro's;

- B voor het omzetverlies, uitgedrukt in procenten;

- C voor de ratio tussen de vaste kosten en de omzet van een gemiddeld bedrijf,

zoals per sector genoemd in de derde kolom van de tabel in de bijlage, uitgedrukt

in procenten;

- D voor het subsidiepercentage, dat 85% bedraagt.

Artikel 2.2.1

1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een getroffen

MKB-onderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de

maanden januari, februari en maart 2021.

2. De subsidie wordt enkel verstrekt aan een MKB-onderneming:

a. waarvan het omzetverlies ten minste 30% bedraagt;

b. waarvan de uitkomst van de vermenigvuldiging van A en C ten minste € 1.500

bedraagt;

c. die op 15 maart 2020 in het handelsregister stond ingeschreven;

d. waarvan de hoofdactiviteit, waaronder de MKB-onderneming op 15 maart 2020

is ingeschreven in het handelsregister met de daarbij behorende code van de

Standaard Bedrijfsindeling in de bijlage is opgenomen of die op 15 maart 2020 is

ingeschreven in het handelsregister met een hoofdactiviteit onder de code 64.2,

64.30.3 of 70.10 van de Standaard Bedrijfsindeling en met een nevenactiviteit die

in de bijlage is opgenomen;

5. In afwijking van het tweede lid, onderdeel d, wordt subsidie verstrekt aan een

MKB-onderneming indien ten genoegen van de minister blijkt dat de MKB-onderneming

op 15 maart 2020 feitelijk een hoofdactiviteit uitvoerde die in de

bijlage is opgenomen.

Artikel 2.2.2

1. Het omzetverlies wordt berekend door het verschil tussen de omzet in de

referentieperiode en de omzet in de subsidieperiode te bepalen en deze te delen

door de omzet in de referentieperiode. De uitkomst van deze berekening wordt

uitgedrukt in procenten.

2. De omzet in de referentieperiode is de omzet in het eerste kalenderkwartaal

van 2019.

3. In afwijking van het tweede lid is de omzet in de referentieperiode voor:

a. een getroffen MKB-onderneming die na 31 december 2018 en uiterlijk op 30

september 2019 voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister: de

omzet in het eerste gehele kalenderkwartaal volgend op de maand van de

inschrijving in het handelsregister;

b. een getroffen MKB-onderneming die na 30 september 2019 en uiterlijk op 30

november 2019 voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister: de

omzet in de drie kalendermaanden volgend op de maand van de inschrijving in

het handelsregister;

c. een getroffen MKB-onderneming die na 30 november 2019 en uiterlijk op 29

februari 2020 voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister: de

omzet in de periode na de dag van de inschrijving in het handelsregister tot en

met 15 maart 2020 gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in

aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie.

4. De omzet in de subsidieperiode is de omzet in het eerste kalenderkwartaal van

2021.

5. Indien de getroffen MKB-onderneming omzetbelasting betaalt over het geheel

van de bedragen op basis waarvan haar omzetverlies wordt berekend, wordt als

de omzet van de onderneming beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan zij

aangifte doet voor de omzetbelasting, overeenkomstig het bepaalde bij en

krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968.

6. Voor andere getroffen MKB-ondernemingen dan de ondernemingen, bedoeld in

het vijfde lid, is de omzet het bedrag van de omzet zoals dat op eenvoudige en

duidelijke wijze blijkt uit de financiële administratie van de onderneming of uit een

ander bewijsstuk.

Artikel 2.2.4

1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag:

a. Indien de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels;

(…)

d. indien het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de schatting van

de omzet in de subsidieperiode, zoals opgenomen in de subsidieaanvraag, gedeeld

door de omzet in de referentieperiode en uitgedrukt in procenten, minder dan

30% bedraagt;

(…)”

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. T

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?