COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2023 op het verzet van
[de onderneming] B.V., te [plaats] (de onderneming)
uitspraak
zaaknummer: 21/1247
(gemachtigde: drs. M.W.C. Dolmans)
Procesverloop
De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 7 juni 2022.
Het verzet is behandeld ter zitting van 9 februari 2023. De gemachtigde van de onderneming heeft aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1. Het College heeft in de uitspraak van 7 juni 2022 het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat van 4 oktober 2021 ongegrond verklaard. Met dat besluit heeft de minister het bezwaar van de onderneming tegen het eerdere besluit van 20 mei 2021 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
2. De onderneming heeft in verzet herhaald dat zij de notificatie e-mail waarmee het besluit van 20 mei 2021 is aangekondigd niet heeft ontvangen, althans niet in de juiste e-mailbox. Zij heeft het bezwaarschrift ingediend nadat zij op een andere manier ervan op de hoogte was geraakt dat de minister op 20 mei 2021 een besluit had genomen.
In de uitspraak van 7 juni 2022 heeft het College vastgesteld dat de notificatie e-mail is verzonden naar het op het aanvraagformulier ingevulde e-mailadres en dat de onderneming heeft ingestemd met het alleen ontvangen van digitale berichten over de aanvraag. De onderneming heeft enkele mogelijke oorzaken genoemd waardoor zij de notificatie e-mail mogelijk niet heeft ontvangen, maar heeft deze niet feitelijk onderbouwd. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat zij de notificatie e-mail niet heeft ontvangen. Dat de notificatie e-mail mogelijk in de spambox is beland maakt dit niet anders. Dit betekent dat het besluit van 20 mei 2021 op juiste wijze is bekendgemaakt. De laatste dag van de bezwaartermijn was daarom 1 juli 2021. Het bezwaarschrift, gedateerd 15 september 2021, is door de minister op 17 september 2021 ontvangen en is daarmee (veel) te laat ingediend.
3. De onderneming voert aan dat de minister er ook voor had kunnen kiezen om het bezwaar toch inhoudelijk te behandelen. Volgens de onderneming heeft de minister zelf een fout gemaakt waardoor de aanvraag ten onrechte is afgewezen. De minister had die fout moeten herstellen. Daar komt bij dat door een medewerker van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland telefonisch is toegezegd dat alsnog subsidie zal worden toegekend.
Het College wijst erop dat de bezwaartermijn van zes weken dwingend in de wet is geregeld. Een te laat ingediend bezwaarschrift is alleen ontvankelijk als sprake is van omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar (verontschuldigbaar) maken. De door de onderneming gestelde omstandigheden, daargelaten of het College die aannemelijk acht, leveren dergelijke omstandigheden niet op. De instantie waarbij het rechtsmiddel is ingesteld, in dit geval de minister, is dan gehouden het rechtsmiddel niet-ontvankelijk te verklaren. Het College verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 juli 2021 (ECLI:CRVB:2021:1500). Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het voorgaande neemt niet weg dat de minister steeds moet nagaan of een te laat ingediend bezwaarschrift gelet op de bewoordingen ervan ook moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen van het, door het te laat indienen van het bezwaarschrift in rechte onaantastbaar geworden, eerdere besluit. In dat geval is de minister gehouden om daarop een afzonderlijk besluit nemen, dat dan geen deel uitmaakt van de beslissing op bezwaar. In de hier voorliggende zaak doet deze situatie zich echter niet voor. Het College merkt voor de goede orde verder op dat de minister, ook zonder uitdrukkelijk verzoek daartoe in het bezwaarschrift, ervoor kan kiezen om het eerdere besluit - ambtshalve - te heroverwegen. Wat onder 3.1 is overwogen staat daaraan niet in de weg. Een juridische verplichting tot ambtshalve heroverweging bestaat naar geldend recht echter niet.
4. De conclusie is dat de uitspraak van 7 juni 2022 juist is. Het verzet zal daarom ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het beroep van de onderneming niet inhoudelijk wordt behandeld en de zaak met deze uitspraak is geƫindigd.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2023.
w.g. T.G.M. Simons w.g. E.A. Van der Meel