COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2023 in de zaak tussen
[naam 1] h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , appellant,
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
uitspraak
zaaknummer: 22/132
en
(gemachtigden: mr. H.G.M. Wammes en mr. C.C. Ruijsbroek).
Procesverloop
Bij besluit van 27 augustus 2021 (het subsidiebesluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID (de Regeling) voor het tweede kwartaal van 2021 afgewezen.
Bij besluit van 6 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2022. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Appellant heeft subsidie aangevraagd op grond van de Regeling. Verweerder heeft geweigerd de subsidie te verlenen, omdat de onderneming van appellant niet voldoet aan het vestigingsvereiste. Appellant is het daarmee niet eens. Hij heeft een kopie van de belastingaangifte van het jaar 2020 overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een werkruimte waarvan de vaste lasten en kosten fiscaal aftrekbaar zijn. Volgens appellant is dat voldoende om subsidie verleend te krijgen en kan verweerder niet daarnaast nog andere bewijzen eisen.
2. Partijen beroepen zich op verschillende bepalingen uit de Regeling. Verweerder beroept zich onder meer op artikel 2.3.2 met het opschrift ‘verstrekking subsidie’. In het tweede lid, aanhef en onder e, is, voor zover hier van belang, bepaald dat de subsidie enkel wordt verstrekt aan een MKB-onderneming die ten minste één vestiging heeft met een ander adres dan het privéadres van de eigenaar van de MKB-onderneming, of een vestiging heeft die fysiek afgescheiden is van de privéwoning van die eigenaar en voorzien is van een eigen opgang of toegang. Hieruit blijkt dat moet worden voldaan aan het vestigingsvereiste om subsidie te krijgen.
3. Appellant beroept zich op een andere bepaling, namelijk artikel 2.3.7 van de Regeling, met het opschrift ‘informatieverplichtingen bij aanvraag’. In het tweede lid is bepaald welke gegevens een aanvraag in ieder geval omvat. Onder f, aanhef en sub 2, is bepaald dat, indien van toepassing, een aanvraag in ieder geval omvat een verklaring dat de getroffen MKBonderneming een vestiging heeft die fysiek afgescheiden is van de privéwoning van de eigenaar van de onderneming en voorzien is van een eigen opgang of toegang, blijkend uit een kopie van de belastingaangifte van het jaar 2019 of 2020 waaruit blijkt dat er sprake is van een werkruimte waarvan de vaste lasten en kosten fiscaal aftrekbaar zijn als bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
4. Het College stelt vast dat de bepaling waarop appellant zich beroept, ziet op de gegevens die een aanvrager bij de aanvraag moet verstrekken. Of wordt voldaan aan het vestigingsvereiste beoordeelt verweerder vervolgens mede op basis van die gegevens. Dat die gegevens zijn verstrekt, betekent nog niet dat daarmee is voldaan aan het vestigingsvereiste. Ook al heeft appellant een kopie van de belastingaangifte van 2020 overgelegd, dan nog heeft verweerder terecht getoetst of de onderneming voldeed aan het vestigingsvereiste voorgeschreven in artikel 2.3.2, tweede lid, aanhef en onder e, van de Regeling.
5. In de aanvraag van 10 augustus 2021 heeft appellant verklaard dat zijn onderneming een adres heeft anders dan zijn privéadres, of hetzelfde adres als zijn privéwoning máár met een eigen opgang of toegang. Het handelsregister vermeldt het privéadres van appellant als adres van de vestiging van zijn onderneming. Zoals hiervoor is vermeld, kan ook bij een vestiging op het privéadres worden voldaan aan het vestigingsvereiste, mits die vestiging fysiek afgescheiden is van de privéwoning en voorzien is van een eigen opgang of toegang. Verweerder heeft appellant in de gelegenheid gesteld om bewijzen hiervan te overleggen. Appellant heeft met de overgelegde kopie van de belastingaangifte van 2020 noch met andere gegevens aannemelijk gemaakt dat in zijn geval aan het voorschrift van fysieke afscheiding en eigen op- of toegang is voldaan. Gelet hierop heeft verweerder terecht geoordeeld dat de onderneming niet voldoet aan het vestigingsvereiste.
6. Appellant heeft betoogd dat er geen, althans slechts een gering verband is tussen de vaste lasten van een onderneming en het van de privéwoning van de eigenaar fysiek afgescheiden zijn van haar vestiging, die is voorzien van een eigen opgang of toegang. Het vestigingsvereiste is volgens hem geen goed criterium; hij heeft immers ook andere vaste lasten dan alleen voor huisvesting.
7. Allereerst overweegt het College over die andere vaste lasten als volgt. Blijkens de toelichting bij de voorganger van de Regeling, de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-1, heeft de regelgever als vaste lasten aangemerkt afschrijvingen op vaste activa en overige bedrijfskosten, niet zijnde inkoopwaarde van de omzet en arbeidskosten (zie Stcrt. 2020, 34295, par. 3.3). Onder de afschrijvingen op vaste activa wordt daarbij verstaan de waardevermindering van duurzame productiemiddelen, zoals machines, gebouwen, vervoermiddelen en software, als gevolg van normale slijtage en voorzienbare economische veroudering. Onder de overige bedrijfskosten vallen de bedrijfskosten die niet betrekking hebben op de inkoopwaarde van de omzet, de arbeidskosten en de afschrijvingen op vaste activa. De berekening van die vaste lasten heeft voor de meeste sectoren plaatsgevonden met gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Uit het voorgaande leidt het College af dat in de Regeling bij de tegemoetkoming ook rekening is gehouden met andere vaste lasten dan die uit huisvesting. Het vestigingsvereiste is immers ook slechts één van de criteria waaraan een subsidieaanvraag van een MKB-onderneming wordt getoetst.
8. Over dat vestigingsvereiste in de Regeling overweegt het College als volgt. De toelichting op een voorganger van de Regeling, de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS, Stcrt. 2020, 19159, par. 2), vermeldt dat de tegemoetkoming alleen wordt “verstrekt aan ondernemingen met een vestiging buiten de woning waar zij zelf wonen, het huisadres van de eigenaar of eigenaren hebben, omdat ondernemingen met een zaak aan huis over het algemeen minder vaste kosten hebben”. Ook in de kamerbrief van 19 maart 2021 over de uitvoering en het gebruik van de TOGS licht de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat toe dat een algemene uitzondering op het vestigingsvereiste wordt opgenomen voor ondernemingen, waarbij de onderneming fysiek afgescheiden is van de privéwoning van de ondernemer en voorzien is van een eigen opgang of toegang. Ook in dat geval kan er volgens de staatssecretaris immers van uitgegaan worden dat er sprake is van omvangrijke periodieke vaste lasten voor de vestiging. Het College concludeert dat de regelgever een bewust verband heeft gelegd tussen de (hoogte van de) vaste lasten voor vestiging en het vestigingsvereiste, zoals dat in de verschillende regelingen op gelijkluidende wijze is voorgeschreven.
9. Verder stelt het College vast dat de regelgever wat betreft de vaste lasten heeft gekozen voor een forfaitair systeem. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak (zoals de uitspraak van 20 september 2022, ECLI:NL:CBB:2022:636) wordt overwogen dat zo’n systeem met zich brengt dat de werkelijke vaste lasten in voorkomende gevallen niet overeenkomen met de forfaitaire lasten, maar hoger of lager kunnen zijn. Er wordt geen rekening gehouden met verschillen tussen ondernemingen binnen sectoren, bijvoorbeeld verschillen in omvang, locatie en wijze van bedrijfsuitoefening. Daarvoor is gekozen om de regeling uitvoerbaar te houden. Voor de branche waarin appellant werkzaam is, juridische diensten en administratie (SBI-code 69), is het percentage vaste lasten van de omzet bepaald op 26%. Dat de feitelijke vaste lasten van appellant mogelijk afwijken van dit percentage, maakt de Regeling op dit punt niet in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
10. Appellant heeft ter zitting nog gesteld dat verweerder op grond van de TOGS hem eerder wel een tegemoetkoming heeft toegekend, terwijl daarin hetzelfde vestigingsvereiste was opgenomen. Dit brengt echter niet met zich dat verweerder gehouden is om op grond van de voorliggende Regeling die tegemoetkoming weer toe te kennen. Het is immers vaste jurisprudentie dat het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat een bestuursorgaan gehouden is een eerder gemaakte fout te herhalen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 september 2022, ECLI:NL:CBB:2022:640). Daarbij neemt het College in overweging dat appellant, omdat hij geen vestiging heeft in de zin van de Regeling, ook niet de vaste lasten heeft die voortvloeien uit het hebben en onderhouden van een vestiging.
11. Gezien het voorgaande heeft verweerder de subsidie terecht geweigerd.
12. Het beroep is ongegrond. Het bestuursorgaan hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2023.
w.g. M.P. Glerum w.g. M.B.L. van der Weele