ECLI:NL:CBB:2023:150

ECLI:NL:CBB:2023:150, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 21-03-2023, 22/134

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 21-03-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/134
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0007919 BWBR0024796 BWBR0035474 CELEX:32014R0651 EU:32014R0651

Samenvatting

Het College verklaart het beroep ongegrond. Appellant heeft in de subsidieaanvraag verklaard dat de warmtepompen zijn geïnstalleerd in panden die hij verhuurt. Hieruit volgt dat de subsidie dus niet wordt verstrekt aan een eigenaar-bewoner (vergelijk de uitspraak van het College van 29 november 2022). Dit betekent dat de subsidie mogelijk staatsteun bevat en het onder 3.3 weergegeven kader van toepassing is op de aanvraag. Omdat appellant de warmtepompen al had aangeschaft voordat hij de subsidieaanvraag had ingediend, moest de minister die aanvraag afwijzen.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2023 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats 1] , appellant,

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

uitspraak

Zaaknummer: 22/134

en

(gemachtigde: mr. J. van Essen).

Procesverloop

Met het besluit van 25 oktober 2021 heeft de minister de aanvraag van appellant om Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) in het kader van titel 4.5 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) voor de categorie Warmtepomp afgewezen.

Met het besluit van 13 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2023. Aan de zitting hebben appellant en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Overwegingen

Op 8 september 2021 heeft appellant een subsidieaanvraag ingediend voor twee warmtepompen. Op het aanvraagformulier staat dat de subsidie wordt aangevraagd voor warmtepompen in een woning die bestemd is voor verhuur aan derden. Op het aanvraagformulier heeft appellant als aankoopdatum 23 april 2021 ingevuld en als installatiedatum 28 april 2021.

De minister heeft de aanvraag van appellant afgewezen. Volgens de minister heeft de aanvraag van appellant betrekking op warmtepompen voor een woning die appellant gaat verhuren. Dit betekent dat er sprake is van een zakelijke aanvraag en daarvoor gelden andere voorwaarden dan voor een aanvraag voor een warmtepomp in de eigen woning. Uit artikel 10, tweede lid, en artikel 22, eerste lid, onder c, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (Kaderbesluit) volgt dat in het geval van een zakelijke aanvraag de koopovereenkomst voor de warmtepompen nog niet mag zijn aangegaan voordat de aanvraag is ingediend. Aan deze voorwaarde is niet voldaan en daarom heeft de minister de aanvraag afgewezen.

2. Appellant is het daarmee niet eens. Hij voert aan dat hij in twee door hem verhuurde panden geisers heeft vervangen door warmtepompen. Als de subsidieregeling er niet was geweest, zou hij de warmtepompen niet hebben aangeschaft maar zou hij de oude geisers hebben laten repareren of vervangen door nieuwe geisers. De subsidieregeling heeft dan ook een stimulerend effect gehad op de aanschaf van de warmtepompen.

Aan de orde is of de minister de aanvraag van appellant terecht heeft afgewezen. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend. Hieronder legt het College uit waarom.

Artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt – heel kort gezegd – dat steunmaatregelen van lidstaten onverenigbaar zijn met de interne markt. In Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 (de algemene groepsvrijstellingsverordening) worden bepaalde categorieën steun verenigbaar verklaard met de interne markt. Daarbij gaat het onder meer om investeringssteun ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen (artikel 41 van die verordening). Wel bepaalt artikel 6, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening dat die verordening slechts van toepassing is op steun die een stimulerend effect heeft. Steun wordt geacht een stimulerend effect te hebben wanneer de begunstigde ervan, voordat de werkzaamheden aan het project of de activiteit aanvangen, bij de betrokken lidstaat een schriftelijke steunaanvraag heeft ingediend (artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening).

Om voor ISDE-subsidie in aanmerking te komen is de regel dat de subsidie moet worden aangevraagd voordat tot aanschaf van de apparaten wordt overgegaan. Dit volgt uit artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit, waarin dwingend is voorgeschreven dat afwijzend wordt beslist op een aanvraag om subsidie als niet voldaan wordt aan het vereiste van het stimulerend effect, bedoeld in het toepasselijke Europese steunkader. Aan dat vereiste wordt niet voldaan als al een verplichting is aangegaan voordat de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend (zie bijvoorbeeld de uitspraken van het College van 12 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:930 en 29 november 2022, ECLI:NL:CBB:2022:779). Deze regel volgt ook uit artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit, waarin is bepaald dat kosten die zijn gemaakt vóór de indiening van de aanvraag niet voor subsidie in aanmerking komen.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor een investering die bestemd is voor de productie van duurzame energie ten behoeve de aanschaf van – kort gezegd – een warmtepomp, zo volgt uit artikel 4.5.2, tweede lid, van de Regeling. Die subsidie bevat mogelijk staatssteun die wordt gerechtvaardigd door artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, indien de subsidie wordt verstrekt aan een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet zijnde eigenaar-bewoner (artikel 4.5.14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling). Die subsidie bevat geen staatsteun, indien deze subsidie verstrekt wordt aan een eigenaar-bewoner (artikel 4.5.14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling).

Appellant heeft in de subsidieaanvraag verklaard dat de warmtepompen zijn geïnstalleerd in panden die hij verhuurt. Hieruit volgt dat de subsidie dus niet wordt verstrekt aan een eigenaar-bewoner (vergelijk de uitspraak van het College van 29 november 2022). Dit betekent dat de subsidie mogelijk staatsteun bevat en het hiervoor onder 3.3 weergegeven kader van toepassing is op de aanvraag. Omdat appellant de warmtepompen al had aangeschaft voordat hij de subsidieaanvraag had ingediend, moest de minister die aanvraag afwijzen.

4. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2023.

A. Venekamp T. Kuiper

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?