COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2023 in de zaak tussen
Stichting Music Connects All, te Wolphaartsdijk (MCA)
de minister van Economische Zaken en Klimaat
uitspraak
zaaknummer: 22/1180
(gemachtigde: [naam] )
en
(gemachtigde: mr. M. van den Brink en W. Dam)
Procesverloop
De minister heeft de aanvraag van MCA voor een subsidie grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten COVID-19 (TVL) afgewezen.
MCA heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft de minister met zijn besluit van 3 mei 2022 ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
MCA heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 3 april 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam] , namens MCA, en mr. M. van den Brink en W. Dam, beiden namens de minister.
Overwegingen
1. MCA heeft een TVL-subsidie aangevraagd voor het derde kwartaal van 2021. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet is voldaan aan de eis dat het omzetverlies in het derde kwartaal van 2021 (de subsidieperiode) ten opzichte van het derde kwartaal van 2019 (de referentieperiode) ten minste 30% is. Deze eis staat in artikel 2.4.2, tweede lid van de TVL. Volgens MCA heeft de minister niet de juiste omzetvergelijking gemaakt, omdat de door haar ontvangen donaties in de referentieperiode niet als omzet zijn meegerekend. Het College is van oordeel dat de minister deze donaties terecht niet tot de omzet heeft gerekend. Het College legt hierna uit hoe het tot dit oordeel is gekomen. De genoemde bepalingen zijn in de bijlage onder deze uitspraak volledig weergegeven.
2. Het gaat in deze zaak alleen om de vraag of de door MCA ontvangen donaties, die niet in de aangifte omzetbelasting zijn gerapporteerd, omzet in de zin van de TVL zijn. In artikel 2.4.1, eerste lid, van de TVL staat dat onder omzet wordt verstaan de opbrengst uit levering van goederen en diensten uit de onderneming, onder aftrek van kortingen en dergelijke en van over de omzet geheven belastingen.
3. De minister merkt de donaties niet aan als omzet in de zin van de TVL omdat tegenover de donaties volgens hem geen directe tegenprestatie staat en deze daarom niet voldoende rechtstreeks samenhangen met de levering van diensten. De minister wijst op de uitspraak van het College van 13 december 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:798), waarin staat dat inkomsten uit subsidies niet kunnen worden beschouwd als opbrengsten uit levering van goederen en diensten uit onderneming als de verstrekker geen tegenprestatie kan eisen. Dat tegenover de donaties aan MCA geen tegenprestatie staat, wordt volgens de minister bevestigd door informatie op de website van MCA. Op die website staat namelijk dat MCA een erkende ANBI-instelling is en dat giften afgetrokken kunnen worden van de
inkomsten- en vennootschapsbelasting. De minister merkt daarbij op dat aftrekbare giften geregeld zijn in afdeling 6.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarin in artikel 6.22, aanhef en onder a, onder gift wordt verstaan: “bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat”.
4. MCA stelt zich op het standpunt dat de door haar ontvangen donaties meegenomen moeten worden bij de berekening van het omzetverlies. Zij betoogt dat voor coronagerelateerde subsidies het jaarrekeningenrecht geldt, op grond waarvan inkomsten tot de omzet of baten gerekend worden als zij betrekking hebben op de reguliere activiteiten van de onderneming. De donaties die MCA ontvangt vallen onder het omzetbegrip van het jaarrekeningenrecht. Verder wijst MCA op de uitspraak van het College van 26 april 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:270), waarin op basis van het omzetbegrip in de TVL inkomsten uit fondsenwerving als omzet in de zin van de TVL zijn aangemerkt, omdat deze inkomsten waren gekoppeld aan het geven van voorstellingen. MCA heeft op de zitting toegelicht dat tegenover de aan haar gegeven donaties niet een directe tegenprestatie staat, maar dat een deel van de donaties is gegeven voor een bepaald doel. Deze geoormerkte donaties vallen daarom volgens MCA onder het omzetbegrip van de TVL.
5. Het College volgt het standpunt van MCA niet. Aan het betoog van MCA over het omzetbegrip in het jaarrekeningenrecht komt niet de door MCA gewenste betekenis toe. Op de zitting is namelijk vastgesteld dat de van internet afkomstige passage waarop MCA dat betoog baseert, niet van de website van RVO komt, zoals MCA veronderstelde, terwijl daaruit ook niet volgt dat deze betrekking heeft op wat onder de TVL als omzet wordt gezien. Zoals in de door MCA genoemde uitspraak van het College van 26 april 2022 staat, kent de TVL een eigen definitie van omzet en moet daaraan worden getoetst. Anders dan in de zaak die tot de uitspraak van 26 april 2022 heeft geleid, zijn hier geen aanwijzingen dat de inkomsten uit donaties kunnen worden beschouwd als opbrengsten uit levering van diensten. Uit de door MCA ingebrachte financiële administratie valt niet op te maken dat er donaties zijn gedaan die zijn gekoppeld aan het leveren van een specifieke dienst. De enkele stelling van MCA dat er geoormerkte donaties zijn is niet voldoende om die donaties gelijk te stellen met opbrengsten uit levering van diensten. De minister heeft de donaties daarom terecht niet aangemerkt als omzet in de zin van de TVL.
6. Voor zover MCA nog betoogt dat uit artikel 2.4.3, zesde lid, van de TVL volgt dat de donaties die zij ontvangt wel als omzet moet worden gezien, slaagt dat betoog niet. In artikel 2.4.3, zesde lid, van de TVL is specifiek voor subsidies of andere steun die is verkregen van een bestuursorgaan in verband met de gevolgen van de bestrijding van de verspreiding van COVID-19 bepaald dat deze voor de TVL niet tot de omzet worden gerekend. Anders dan MCA en met de minister is het College van oordeel dat het feit dat de donaties aan MCA niet onder artikel 2.4.3, zesde lid, van de TVL vallen, niet betekent dat deze dus wel tot de omzet worden gerekend. Zoals volgt uit wat hiervoor is overwogen moet daarvoor aan het omzetbegrip uit artikel 2.4.1, eerste lid, van de TVL worden voldaan. Dat is hier niet het geval.
7. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T. Aalbers, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2023.
w.g. C.T. Aalbers w.g. M.B. van Zantvoort
Bijlage
Artikel 2.4.1, eerste lid, van de TVL (begripsbepalingen)
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
[...]
omzet: opbrengst uit levering van goederen en diensten uit de onderneming, onder aftrek van kortingen en dergelijke en van over de omzet geheven belastingen;
[...]
Artikel 2.4.2. (verstrekking subsidie)
[...]
Artikel 2.4.3. (bepaling omzetverlies)