ECLI:NL:CBB:2023:322

ECLI:NL:CBB:2023:322, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27-06-2023, AWB 22/210

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 27-06-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB 22/210
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 10 zaken
Aangehaald door 6 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0007919 BWBR0044808

Samenvatting

De onderneming heeft haar aanvraag voor subsidie op grond van de TVL buiten de daarvoor gestelde aanvraagtermijn ingediend. De afwijzing van de aanvraag is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juni 2023 in de zaak tussen

de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister)

uitspraak

zaaknummer: 22/210

[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [woonplaats] (de onderneming),

en

(gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. S.M. Piron).

Procesverloop

Met het besluit van 1 november 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal (Q2) van 2021 aangemerkt als pro-forma-aanvraag, en deze aanvraag vervolgens afgewezen.

Met het besluit van 14 januari 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.

De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 8 december 2022. Daaraan hebben deelgenomen [naam 3] en [naam 4] namens de onderneming en de gemachtigden van de minister. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Na de zitting heeft het College het onderzoek heropend. De minister is verzocht (schriftelijk) te reageren op aanvullende vragen van het College.

De minister heeft met zijn brieven van 17 februari 2023 en 22 maart 2023 gereageerd op de vragen van het College.

De onderneming heeft op beide brieven van de minister een reactie gegeven.

Geen van de partijen heeft kenbaar gemaakt gebruik te willen maken van een nadere zitting. Het College heeft daarom het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

Deze zaak gaat over een TVL-aanvraag die te laat is ingediend. Artikel 2.3.8 van de TVL bepaalt dat ondernemers hun aanvraag voor Q2 van 2021 uiterlijk op 20 augustus 2021 vóór 17.00 uur konden indienen. Na dat moment sloot het digitale aanvraagsysteem en was het voor ondernemers in beginsel niet meer mogelijk een aanvraag in te dienen via dat systeem. De minister heeft voor ondernemers die te laat waren met hun aanvraag de mogelijkheid geopend om de reden voor de overschrijding van de aanvraagtermijn te melden. Na beoordeling daarvan werd in bepaalde gevallen het digitale aanvraagsysteem voor de betrokken ondernemers tijdelijk opnieuw geopend, zodat zij alsnog een aanvraag konden indienen.

Het geschil in deze zaak betreft de vraag of de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen vanwege het niet tijdig indienen ervan.

Standpunt van de onderneming

3. De onderneming erkent dat zij te laat was met het indienen van de TVL-aanvraag, maar volgens haar is het om die reden niet toekennen van TVL een ongekend hoge en harde straf. De onderneming exploiteert een horecabedrijf en die sector is bovenmatig hard financieel getroffen door de overheidsmaatregelen tijdens de pandemie. In alle chaos en drukte, vooral toen de onderneming in het derde kwartaal van 2021 weer omzet kon genereren, was zij niet bezig met het aanvragen van TVL. Bovendien was de taak om TVL aan te vragen in die drukke periode net overgedragen aan iemand die daar minder ervaring mee had. De onderneming benadrukt dat zij niet te laat was uit laksheid, desinteresse of omdat zij geen TVL nodig zou hebben, maar omdat zij tijdens de aanvraagperiode in de overlevingsstand stond. Dat de minister de aanvraag afwijst omdat die te laat is ingediend, voelt als een dubbele, buitensporige straf. De minister had aandacht moeten hebben voor de menselijke maat en had er rekening mee moeten houden dat de TVL bedoeld is als compensatieregeling om ondernemingen in nood te ondersteunen. Omdat de onderneming meent dat zij wel recht heeft op TVL, stelt zij zich op het standpunt dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen.

Standpunt van de minister

4. Volgens de minister is de (pro-forma-)aanvraag van de onderneming terecht afgewezen, omdat de aanvraag op 7 september 2021 en daarmee te laat is ingediend. De aanvraagtermijn blijkt duidelijk uit de TVL en de minister heeft de uiterste aanvraagdatum ook duidelijk op zijn website gecommuniceerd. De redenen die de onderneming geeft voor de te late aanvraag leiden de minister niet tot de conclusie dat het onmogelijk was om de aanvraag tijdig in te dienen. Voor zover de onderneming betoogt dat de minister de menselijke maat moet hanteren en daarom moet afwijken van de aanvraagtermijn, stelt de minister zich op het standpunt dat het feit dat de onderneming financiële gevolgen ervaart door haar te late aanvraag, nog niet maakt dat de afwijzing van de aanvraag onevenredig is.

Beoordeling door het College

Uit artikel 2.3.6, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 2.3.8 van de TVL, volgt dat de minister afwijzend op de aanvraag beslist als de aanvraag niet tijdig is ingediend. Te late indiening van een TVL-aanvraag is een dwingende afwijzingsgrond in de TVL-regelingen voor alle kwartalen. De Algemene wet bestuursrecht (Awb), noch de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waar de TVL op gebaseerd is), biedt een grondslag om daarvan af te wijken.

Niet in geschil is dat de onderneming de aanvraag niet voor het in de TVL opgenomen eindtijdstip heeft ingediend. Voor de wijze waarop de minister omgaat met dergelijke aanvragen, verwijst het College naar de uitspraak van 13 juni 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:293, onder 6.1 tot en met 6.4). Het College vat de redenen die de onderneming geeft voor het niet tijdig aanvragen en de omstandigheden die zij aanvoert op als een verzoek tot het buiten toepassing laten van de dwingende afwijzingsgrond in haar geval, vanwege strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel, waarbij op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb de vraag centraal staat of de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, hanteert het College de maatstaf zoals neergelegd in de uitspraken van het College van 17 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:244) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285). Het College gaat bij het vormen van zijn oordeel uit van de vragen of het besluit geschikt en noodzakelijk is om het doel te bereiken en of de op zichzelf geschikte en noodzakelijke besluiten in de gegeven omstandigheden evenwichtig zijn.

In dit geval is het afwijzen van de aanvraag een geschikt en noodzakelijk middel om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terecht komt bij de ondernemers die wel aan de voorwaarden van de TVL hebben voldaan. Het bestreden besluit is ook evenwichtig. De drukte en chaos die de onderneming ondervond, wijken niet in relevante mate af van de situatie waarin andere ondernemingen ten gevolge van de pandemie verkeerden. Een groot aantal ondernemingen is wel in staat gebleken om binnen de aanvraagtermijn een TVL-aanvraag in te dienen. Dat de onderneming financiële gevolgen ervaart door haar te late aanvraag maakt het bestreden besluit evenmin onevenwichtig. De onderneming heeft zelf de keuze gemaakt om iemand die daar minder ervaring mee had verantwoordelijk te maken voor de aanvraag. De gevolgen hiervan komen daarom voor risico van de onderneming.

6. Het College is op grond van het voorgaande van oordeel dat de minister de aanvraag terecht op grond van artikel 2.3.6, eerste lid, onder a, in samenhang met artikel 2.3.8, eerste en tweede lid, van de TVL heeft afgewezen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de aanvraag tijdig is ingediend.

7. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, mr. H.L. van der Beek en

mr. H. van den Heuvel, in aanwezigheid van mr. T.D. Geldof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2023.

w.g. M. van Duuren w.g. T.D. Geldof

BIJLAGE

Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19

Artikel 2.3.6 van de TVL luidt, voor zover relevant, als volgt:

“1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag:

a. indien de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels;

[…].”

Artikel 2.3.8 van de TVL luidt als volgt:

“1. Een aanvraag kan worden ingediend in de periode van 25 juni 2021 tot en met 20 augustus 2021.

2. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 08.00 uur op de in het eerste lid genoemde begindatum en zijn tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen.”

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?