COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2023 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] (de onderneming),
de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister)
uitspraak
zaaknummer: 22/1153
en
(gemachtigden: mr. E.S.M. Slot en mr. D. Dijkstra-Burlage).
Procesverloop
Met het besluit van 23 april 2021 (het afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode Q1 2021 afgewezen.
Met het besluit van 29 april 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 22 juni 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van de minister.
Overwegingen
Standpunt van de onderneming
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Inleiding
2. De minister heeft de subsidieaanvraag van de onderneming afgewezen, omdat zij niet voldoet aan het vereiste dat de onderneming ten minste 30% omzetverlies moet hebben geleden om voor subsidie in aanmerking te komen. Dit vereiste staat in artikel 2.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de TVL. De onderneming heeft in haar aanvraag vermeld dat zij in Q1 2021 (de subsidieperiode) geen omzet heeft gegenereerd. De minister gaat, op basis van de gegevens van de Belastingdienst, uit van een omzet in de subsidieperiode van € 24.200,-. De omzet in de referentieperiode (Q1 2019) bedraagt € 10.562,75. Dit betekent dat er volgens de minister geen omzetverlies is.
3. De onderneming voert ten eerste aan dat de minister de beslistermijn ruimschoots overschreden heeft. Haar beroep zou alleen om deze reden al gegrond moeten worden verklaard. Vervolgens stelt de onderneming dat zij geen omzet heeft gegenereerd in de subsidieperiode. Er is een voertuig verkocht, om de onderneming in leven te kunnen houden. De opbrengst van deze verkoop wordt ten onrechte meegenomen als omzet. Tot slot merkt de onderneming op dat zij wel subsidie heeft gekregen voor de periode Q1 2022, op basis van dezelfde stukken die zij in deze procedure heeft aangeleverd. Standpunt van de minister
4. De minister biedt allereerst zijn excuses aan voor het overschrijden van de beslistermijn in de bezwaarfase. De enkele omstandigheid dat de minister niet binnen de wettelijke termijn een beslissing op bezwaar heeft genomen, leidt er echter niet toe dat het beroep van rechtswege gegrond moet worden verklaard. Vervolgens stelt de minister dat de onderneming over haar volledige omzet omzetbelasting betaalt. Uit artikel 2.2.2, vijfde lid, van de TVL volgt dat de minister in dat geval bij de berekening van het omzetverlies moet uitgaan van de aangiften omzetbelasting. De onderneming heeft de opbrengst van de verkoop van het voertuig opgenomen in de aangifte omzetbelasting, waardoor deze (ook) als omzet in het kader van de TVL moet worden beschouwd. De minister verwijst hierbij naar de uitspraken van het College van 29 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:784), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307) en 24 januari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:41). Ten slotte merkt de minister op dat de subsidie voor de periode Q1 2022, anders dan de onderneming stelt, niet op basis van dezelfde stukken is verleend. De omzet in de subsidieperiode Q1 2022 bedraagt namelijk € 500,-, waardoor er sprake is van een omzetverlies van 95,27% ten opzichte van de referentieperiode Q1 2019. De omzet in de subsidieperiode Q1 2021, waar het in deze procedure over gaat, bedraagt € 24.200,-, waardoor er geen sprake is van omzetverlies ten opzichte van de referentieperiode Q1 2019. Beoordeling door het College
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de minister de beslistermijn heeft overschreden. De minister heeft echter terecht opgemerkt dat dit er niet toe leidt dat het beroep gegrond is. Dat de beslistermijn is overschreden, betekent immers niet dat de inhoud van het bestreden besluit onjuist is. De onderneming heeft de minister niet in gebreke gesteld, wat betekent dat zij geen recht heeft op dwangsommen op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het College is van oordeel dat de minister bij de beoordeling van de aanvraag terecht is uitgegaan van de omzetgegevens van de Belastingdienst. De opbrengst van de verkoop van het voertuig is dus terecht tot de omzet gerekend. Het College overweegt daartoe als volgt.
Uit artikel 2.2.2, vijfde lid, van de TVL volgt dat ondernemingen die aangifte omzetbelasting doen, hun omzet moeten aantonen met die aangifte, die is gedaan overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968. De regelgever heeft daar bewust voor gekozen in verband met de uitvoerbaarheid van de TVL en de beperking van de administratieve lasten. Het College heeft in de uitspraak van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5) geoordeeld dat dit geen onredelijk uitgangspunt is. Daarnaast heeft het College in de uitspraak van 2 augustus 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:491) geoordeeld dat de minister alleen mag afwijken van de aangifte omzetbelasting, indien de Belastingdienst concludeert dat de aangifte onjuist is en overgaat tot aanpassing.
Tussen partijen is niet in geschil dat de onderneming over haar volledige omzet omzetbelasting betaalt. De minister heeft daarom in dit geval terecht geen aanleiding gezien om af te wijken van de omzetgegevens van de Belastingdienst. De onderneming heeft de opbrengst van de verkoop van het voertuig opgenomen in de aangifte omzetbelasting, waardoor deze ook in het kader van de TVL als omzet moet worden beschouwd. Dit is door het College bevestigd in de uitspraak van 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307). Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
7. Ten aanzien van de opmerking van de onderneming dat zij wel subsidie heeft gekregen voor Q1 2022, oordeelt het College dat dit niet betekent dat zij ook subsidie dient te krijgen voor Q1 2021. Zoals de minister in het verweerschrift heeft uitgelegd, is voor beide periodes de omzet in de referentieperiode (Q1 2019) gelijk (€ 10.562,75), maar in de subsidieperiodes niet. In Q1 2022 is slechts € 500,- omzet gegenereerd, waardoor er wel sprake is van omzetverlies, terwijl er in Q1 2021 € 24.200,- omzet was en er dus geen sprake is van omzetverlies. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond.
9. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. van den Heuvel, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
w.g. H. van den Heuvel w.g. A.A. Dijk
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
“Artikel 4:17
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
“Artikel 2.2.1. (verstrekking subsidie)
(…)
Artikel 2.2.2. (bepaling omzetverlies)
(…)
4. De omzet in de subsidieperiode is de omzet in het eerste kalenderkwartaal van 2021.
5. Indien de getroffen MKB-onderneming omzetbelasting betaalt over het geheel van de bedragen op basis waarvan haar omzetverlies wordt berekend, wordt als de omzet van de onderneming beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan zij aangifte doet voor de omzetbelasting, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968.
(…)”