COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2023 in de zaak tussen
de minister van Economische Zaken en Klimaat
uitspraak
zaaknummer: 22/1927
[naam 1] handelend onder de naam [naam 2], te [woonplaats] (de ondernemer)
en
(gemachtigden: mr. S.M. Piron en W. Dam).
Procesverloop
Met het besluit van 21 december 2021 heeft de minister de subsidie voor de periode april tot en met juni (Q2) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 1.200,- teruggevorderd.
Met het besluit van 25 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 5 oktober 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen de ondernemer, vergezeld van [naam 3] , en de gemachtigden van de minister.
Overwegingen
Samenvatting
De minister heeft op grond van de TVL een subsidie verleend aan de ondernemer voor Q2 van 2021 (de subsidieperiode) van € 1.500,-. Vervolgens heeft de ondernemer de vaststelling van de subsidie aangevraagd. De minister heeft daarop de subsidie vastgesteld op € 0,- en bepaald dat de ondernemer het al ontvangen voorschot van € 1.200,- moet terugbetalen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van ten minste 30% omzetverlies. Dit vereiste staat in artikel 2.3.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de TVL. De minister gaat, op basis van de gegevens van de Belastingdienst, uit van een omzet in de referentieperiode (Q2 van 2019) van € 15.761,- en een omzet in de subsidieperiode van € 13.066,-.
Het College komt tot het oordeel dat de minister de subsidie terecht op € 0,- heeft vastgesteld. Uit de gegevens van de Belastingdienst volgt dat geen sprake is van ten minste 30% omzetverlies en de minister mocht van die gegevens uitgaan. Hieronder licht het College zijn oordeel toe.
Wettelijk kader
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
De beoordeling van het College
3 Uit artikel 2.3.3, vijfde lid, van de TVL volgt dat ondernemingen die aangifte omzetbelasting doen, hun omzet moeten aantonen met die aangifte. De regelgever heeft daar bewust voor gekozen in verband met de uitvoerbaarheid van de TVL en de beperking van de administratieve lasten. Het College heeft in de uitspraak van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5) geoordeeld dat dit uitgangspunt niet onrechtmatig is. Daarnaast heeft het College in de uitspraak van 2 augustus 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:491) geoordeeld dat de minister alleen mag afwijken van de aangifte omzetbelasting, indien de Belastingdienst concludeert dat de aangifte onjuist is en overgaat tot aanpassing. Dit geldt ook voor suppletieaangiftes (zie de uitspraak van het College van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CBB:2022:703).
4 Tussen partijen is niet in geschil dat de ondernemer zijn gehele omzet rapporteert in de aangifte omzetbelasting. Daarom is de minister bij de berekening van het omzetverlies terecht uitgegaan van de aangifte omzetbelasting voor Q2 van 2021. Dat de ondernemer ervoor heeft gekozen om de, vanwege een nieuw boekhoudprogramma, verkeerd opgegeven omzet voor Q2 van 2021 te corrigeren met de aangifte omzetbelasting voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021, leidt niet tot een ander oordeel. Omdat de ondernemer verantwoordelijk is voor de aangifte omzetbelasting, moet de keuze om voor Q2 van 2021 geen suppletieaangifte te doen voor zijn rekening blijven (zie ook de uitspraak van het College van 17 januari 2023, ECLI:NL:CBB:2023:7). Het College begrijpt dat de ondernemer een fout heeft gemaakt en niet kon voorzien dat de keuze voor het corrigeren van deze fout in Q4 van 2021 later gevolgen zou hebben voor het aanvragen van een subsidie op grond van de TVL, maar daarmee kan binnen de systematiek van de TVL geen rekening worden gehouden. De beroepsgrond van de ondernemer dat de minister voor Q2 van 2021 van onjuiste omzetgegevens is uitgegaan, slaagt niet.
5 De minister heeft dus terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste dat sprake moet zijn van ten minste 30% omzetverlies en heeft de subsidie daarom terecht op € 0,- vastgesteld. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister daarvan in dit geval had moeten afzien. Verder heeft de ondernemer geen argumenten aangevoerd tegen de terugvordering.
Slotsom
6 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2023.
w.g. M.P. Glerum w.g. F. Willems
Bijlage
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
Artikel 2.3.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de TVL bepaalt dat de subsidie enkel wordt verstrekt aan een MKB-onderneming waarvan het omzetverlies ten minste 30% bedraagt.
Artikel 2.3.3, vijfde lid, van de TVL bepaalt dat als omzet van de getroffen MKB-onderneming wordt beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan de getroffen MKB-onderneming aangifte doet voor de omzetbelasting, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968. Tevens wordt als omzet beschouwd omzet die niet in een aangifte omzetbelasting gerapporteerd wordt, maar op eenvoudige en duidelijke wijze blijkt uit de financiële administratie of uit een ander bewijsstuk van de getroffen MKB-onderneming.