COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats]
de minister voor Klimaat en Energie
uitspraak
zaaknummer: 23/1159
en
(gemachtigde: mr. E. Hol)
Procesverloop
Met het besluit van 22 december 2022 heeft de minister de aanvraag van [naam] voor een subsidie op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) voor dak- en glasisolatie afgewezen.
Met het besluit van 11 april 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door [naam] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 15 maart 2024. Daaraan hebben [naam] en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Oordeel van het College
1. [naam] heeft een subsidieaanvraag ingediend voor dakisolatie en voor glas- en kozijnisolatie. De minister heeft de aanvraag voor dakisolatie afgewezen, omdat aan [naam] al eerder subsidie voor dakisolatie is verstrekt. Doordat de aanvraag voor dakisolatie is afgewezen, is volgens de minister niet voldaan aan het vereiste dat subsidie wordt aangevraagd voor twee isolatiemaatregelen die op het moment van indiening van de aanvraag voor subsidie in aanmerking moeten kunnen komen. Daarom heeft hij de aanvraag voor glas- en kozijnisolatie ook afgewezen.
2 Volgens [naam] kon hij niet weten dat hij maar één keer subsidie kon krijgen voor hetzelfde type isolatiemaatregelen. Hij vindt de website van de minister op dit punt onduidelijk. Bovendien gaat zijn aanvraag voor dakisolatie over een ander dak dan waarvoor eerder subsidie is verleend. De afwijzing voor glas- en kozijnisolatie is volgens [naam] niet terecht, omdat de Regeling de bewoordingen ‘kunnen komen’ bevat. Omdat dakisolatie in principe voor subsidie in aanmerking kán komen, is aan dit vereiste voldaan. Verder is het bestreden besluit volgens [naam] in strijd met het motiveringsbeginsel.
3 Tussen partijen is niet in geschil dat de minister aan [naam] al eerder subsidie heeft verstrekt voor dakisolatie. Artikel 4.5.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling bepaalt dat een subsidieaanvraag voor een investering in hetzelfde type isolatiemaatregel wordt afgewezen. Dit is een dwingende afwijzingsgrond waarvan de minister niet mag afwijken. Dat het gaat om een isolatiemaatregel voor een ander gedeelte van het dak, zoals [naam] op de zitting heeft toegelicht, neemt niet weg dat het een zelfde type isolatiemaatregel is. De minister was daarom gehouden om de aanvraag voor dakisolatie af te wijzen. Het College volgt [naam] niet in zijn betoog dat hij niet kon weten dat een tweede aanvraag voor hetzelfde type isolatiemaatregelen zou worden afgewezen, al omdat deze voorwaarde in de Regeling stond.
4 Artikel 4.5.9, derde lid, aanhef en onder a, onderdeel 1°, van de Regeling bepaalt dat de minister afwijzend beslist op een aanvraag voor subsidie voor een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen indien de aanvraag voor subsidie geen betrekking heeft op twee of meer verschillende typen investeringen die op het moment van indiening van de aanvraag op grond van deze titel voor subsidie in aanmerking kunnen komen. Uit wat onder 3 is overwogen volgt dat geen sprake is van twee of meer verschillende typen investeringen die op het moment van indiening van de aanvraag voor subsidie in aanmerking komen. Anders dan waarvan [naam] uitgaat, gaat het erom of hij op het moment van indiening van de aanvraag voor subsidie voor dakisolatie in aanmerking kon komen en niet of voor dakisolatie in zijn algemeenheid subsidie kan worden verleend. De minister heeft de aanvraag ten aanzien van de glas- en kozijnisolatie op grond van artikel 4.5.9, derde lid, aanhef en onder a, onderdeel 1°, van de Regeling daarom op goede gronden afgewezen. Overigens heeft de gemachtigde van de minister op de zitting toegelicht dat [naam] een nieuwe aanvraag kan indienen voor een subsidie voor glas- en kozijnisolatie, omdat het vereiste dat subsidie moet worden aangevraagd voor twee of meer verschillende typen investeringen inmiddels is vervallen.
5 Het College volgt [naam] ook niet in zijn standpunt dat het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd zou zijn omdat de minister de bedoeling van de regelgever niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Naar het oordeel van het College heeft de minister in het bestreden besluit voldoende duidelijk gemaakt dat de afwijzingsgronden die in deze zaak van toepassing zijn, dwingend zijn voorgeschreven. Daaruit volgt dat de regelgever niet de bedoeling had enige ruimte te laten om in sommige gevallen anders te beslissen.
Conclusie
6 De minister heeft de aanvraag van [naam] op goede gronden afgewezen. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. T.D. Geldof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. T.D. Geldof