COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2323
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2024
Rechter: mr. J.H. de Wildt
Griffier: mr. P.M. Beishuizen
Partijen
[naam] B.V., te [plaats] , (de onderneming), waarvoor aanwezig is mr. O. Soldat
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes en mr. P. van Veen
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. De werkzaamheden van de onderneming bestaan deels, hoe klein ook, uit het bewerken van vis. Dit betekent dat de onderneming moet worden aangemerkt als een onderneming die actief is in de visserij- en aquacultuursector. Dit is in lijn met de uitspraak van het College van 23 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:27), waaruit volgt dat een onderneming, die zich bezighoudt met verwerking van vis, in die sector actief is.
2 De enkele mededeling in het besluit van 24 februari 2022 (dat gaat over TVL over Q2 2021) dat de onderneming niet kan worden aangemerkt als een onderneming die actief is in de visserij- en aquacultuursector, is onvoldoende voor een succesvol beroep op het rechtszekerheidsbeginsel.
3 Dit betekent dat de onderneming geen gelijk heeft. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. J.H. de Wildt De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.