COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , nu haar rechtsopvolger [naam 2] B.V., te [plaats] (de onderneming)
de minister van Economische Zaken en Klimaat
uitspraak
zaaknummer: 22/2032
en
(gemachtigden: mr. A.M.D. Dijkstra en mr. S.F. Hu)
Procesverloop
Met het besluit van 4 mei 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 afgewezen.
Met het besluit van 24 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van
de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 27 november 2023. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Het College heeft het onderzoek op de zitting geschorst.
De onderneming heeft nadere stukken ingediend. Van de minister is een reactie op die stukken ontvangen.
Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het College heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
De onderneming exploiteert een kledingwinkel en heeft subsidie op grond van de TVL aangevraagd voor Q1 van 2022. Zij is op 6 februari 2019 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, maar is pas na 1 augustus 2019 gestart met het realiseren van omzet. Op basis van de omzet in de bij de subsidieaanvraag gekozen referentieperiode (Q2 van 2019) komt zij niet in aanmerking voor subsidie, omdat het omzetverlies ten opzichte van de subsidieperiode niet ten minste 30 % bedraagt. Het geschil gaat over de vraag of de minister bij de berekening van het omzetverlies van een andere referentieperiode had moeten uitgaan, meer specifiek van Q4 van 2019.
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Standpunt van de onderneming
3 De onderneming stelt zich op het standpunt dat de minister moet uitgaan van Q4 van 2019 als referentieperiode. Zij is weliswaar op 6 februari 2019 ingeschreven in het handelsregister, maar dit was noodzakelijk om de wintercollectie voor 2019 te kunnen inkopen. De door haar gekochte kledingwinkel heeft zij echter per 1 augustus 2019 overgenomen en pas vanaf dat moment heeft zij omzet gerealiseerd. Om die reden is Q2 van 2019 geen representatieve referentieperiode. Ook Q1 van 2020, waarvoor zij bij haar aanvraag kon kiezen is niet representatief, omdat toen de eerste gevolgen van COVID-19 al merkbaar waren. De onderneming is van mening dat in haar situatie Q4 van 2019 een representatieve referentieperiode is. Dat kwartaal is niet alleen gelegen voor de uitbraak van COVID-19, maar het is tevens het eerste volledige kwartaal waarin de onderneming omzet heeft gerealiseerd. Voor de subsidieperiode Q1 van 2021 is de minister in deze argumentatie meegegaan en de onderneming ziet niet in waarom dit voor de subsidieperiode Q1 van 2022 anders zou zijn.
Standpunt van de minister
De minister is wat betreft de in aanmerking te nemen referentieperiode uitgegaan van de datum van inschrijving in het handelsregister: 6 februari 2019. Op grond van de TVL is de referentieperiode dan Q2 van 2019 of Q1 van 2020. Beide referentieperioden leiden echter niet tot het voor verlening van de subsidie vereiste omzetverlies van ten minste 30%.
De minister heeft toegelicht dat voor de subsidieperiode Q1 van 2021, waarnaar de onderneming verwijst, de uitspraak van het College van 31 augustus 2021, ECLI:NL:CBB:2021:845, is toegepast. Deze uitspraak is hier niet van toepassing.
De uitspraak ging over het begrip ‘start van de activiteiten’, dat voor eerdere subsidieperioden in de TVL was opgenomen, maar dat begrip komt niet meer voor in de hier relevante regeling voor Q1 van 2022. In Q1 van 2021 is de tekst van de TVL namelijk aangepast. Omdat de TVL in Q1 van 2021 nog geen keuzemogelijkheid bevatte voor een andere referentieperiode, heeft de minister de uitspraak van 31 augustus 2021 uit coulance in Q1 van 2021 nog toegepast. Dat betrof echter een uitzondering specifiek voor die subsidieperiode. Voor de subsidieperiode Q1 van 2022 bevat de TVL wel de mogelijkheid om uit twee referentieperioden te kiezen. Voor die subsidieperiode is alleen de inschrijfdatum bij het handelsregister nog van belang voor het bepalen van de referentieperiode en speelt het begrip ‘start van de activiteiten' geen rol meer. Daarom is het hanteren van Q4 van 2019 voor de subsidieperiode Q1 van 2022, zoals de onderneming wenst, niet mogelijk.
Tot slot wijst de minister er nog op dat in de TVL geen hardheidsclausule is opgenomen op basis waarvan hij kan afwijken van de daarin opgenomen (keuze voor een) referentieperiode. Alleen in zeer bijzondere situaties wordt een uitzondering gemaakt. De minister verwijst daarbij naar de Kamerbrief van 26 februari 2021 (Kamerstukken II, 2020/21, 35 420, nr. 233), waarin als voorbeelden van zulke situaties worden genoemd dat een ondernemer in de referentieperiode te kampen heeft gehad met brand, ernstige ziekte of een overlijden in de directe omgeving, waardoor in de referentieperiode geen omzet is gemaakt en de ondernemer om die reden niet in aanmerking komt voor subsidie. Van een dergelijke situatie is in het geval van de onderneming echter geen sprake. Het enkele feit dat een onderneming niet in aanmerking komt voor subsidie, maakt niet dat het besluit onevenredig is, aldus de minister.
Beoordeling door het College
Het College is met de minister van oordeel dat niet tegemoet kan worden gekomen aan de wens van de onderneming om bij de berekening van het omzetverlies, in afwijking van de TVL, Q4 van 2019 als referentieperiode te hanteren. Daarnaast is de minister terecht tot de conclusie gekomen dat niet wordt voldaan aan het vereiste dat het omzetverlies in de subsidieperiode ten opzichte van (een van) de referentieperiode(n) ten minste 30% bedraagt. Het College is als volgt tot zijn oordeel gekomen.
Vast staat dat de onderneming haar kledingbedrijf op 6 februari 2019 heeft ingeschreven in het handelsregister. Uitgaande van die inschrijfdatum, moet op grond van artikel 2.6.3, derde lid, aanhef en onder a, van de TVL bij de berekening van het omzetverlies worden uitgegaan van, naar keuze van de aanvrager, de omzet in Q1 van 2020 of de omzet in Q2 van 2019. In de TVL zijn geen mogelijkheden opgenomen om daarvan af te wijken.
Niet in geschil is dat de onderneming in Q2 van 2019 geen omzet heeft gerealiseerd en dat de omzet in Q1 van 2020 € 93.190,- bedraagt. Gelet op de (niet betwiste) omzet van
€ 109.314,- in de subsidieperiode (Q1 van 2022), heeft de minister terecht geconcludeerd dat niet wordt voldaan aan het vereiste omzetverlies van ten minste 30% ten opzichte van deze referentieperioden.
Dat de minister bij de verlening van subsidie voor Q1 van 2021, in afwijking van de TVL, Q4 van 2019 als alternatieve referentieperiode heeft gehanteerd, maakt niet dat de onderneming daar ook voor de subsidieperiode Q1 van 2022 aanspraak op kan maken. Zoals de minister heeft uitgelegd, betrof de situatie met betrekking tot Q1 van 2021 een uitzondering voor die subsidieperiode. Voor Q1 van 2022 is voor de bepaling van de referentieperiode alleen de inschrijfdatum van een onderneming in het handelsregister van belang. Het College heeft al eerder geoordeeld dat de minister, door uit te gaan van die inschrijfdatum, de TVL op de juiste wijze toepast (zie de uitspraak van het College van 21 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:143, en die van 20 juni 2023, ECLI:NL:CBB:2023:306).
Op de zitting is besproken of er reden bestaat om in dit geval voor de bepaling van de referentieperiode uit te gaan van de inschrijfdatum in het handelsregister van de eenmanszaak, van wie de onderneming de kledingwinkel in 2019 heeft gekocht. Omdat vaststaat dat die inschrijfdatum ligt voor 31 december 2018, geldt in die situatie als referentieperiode, naar keuze van de aanvrager, Q1 van 2019 of Q1 van 2020 (artikel 2.6.3, tweede lid, van de TVL). Uit de door de onderneming na de zitting overgelegde nadere stukken blijkt dat de eenmanszaak in Q1 van 2019 een omzet heeft gedraaid van € 124.327,-. Ook daarmee wordt, zo heeft de minister met juistheid geconcludeerd, niet voldaan aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies ten opzichte van de omzet in de subsidieperiode.
Met de minister is het College van oordeel dat de door de onderneming aangevoerde omstandigheden niet zo uitzonderlijk zijn dat op grond daarvan had moeten worden afgeweken van de in de TVL voorgeschreven referentieperiode(n). De enkele omstandigheid
dat een onderneming niet in aanmerking komt voor subsidie op grond van de TVL, omdat niet is voldaan aan (een van de) daarin genoemde vereisten, maakt niet dat sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie waarin het besluit onevenredig nadelig uitpakt.
Slotsom
6 De slotsom is dat de minister de subsidieaanvraag voor Q1 van 2022 terecht heeft afgewezen, omdat niet wordt voldaan aan het vereiste dat het omzetverlies ten minste 30% bedraagt.
7 Het beroep is ongegrond.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T. Aalbers, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2024.
w.g. C.T. Aalbers w.g. J.M. Baars
Bijlage
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19
Artikel 2.6.2, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a
1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een getroffen MKB-onderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de maanden januari, februari en maart van 2022.
2 De subsidie wordt enkel verstrekt aan een MKB-onderneming:
a. waarvan het omzetverlies ten minste 30% bedraagt;
Artikel 2.6.3, eerste tot en met vierde lid
1. Het omzetverlies wordt berekend door het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de omzet in de subsidieperiode te bepalen en deze te delen door de omzet in de referentieperiode. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in procenten.
2 De omzet in de referentieperiode is naar keuze van de aanvrager: de omzet in het eerste kalenderkwartaal van 2019 of de omzet in het eerste kalenderkwartaal van 2020.
3 In afwijking van het tweede lid is de omzet in de referentieperiode voor:
a. een getroffen MKB-onderneming die na 31 december 2018 en voor 1 oktober 2019 voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister naar keuze van de aanvrager: de omzet in het eerste kwartaal van 2020 of de omzet in het eerste gehele kalenderkwartaal volgend op de maand van de inschrijving in het handelsregister;
b. een getroffen MKB-onderneming die na 30 september 2019 voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister naar keuze van de aanvrager: de omzet in het derde kalenderkwartaal van 2020 of de omzet in het eerste gehele kalenderkwartaal volgend op de maand van de inschrijving in het handelsregister.
4 De omzet in de subsidieperiode is de omzet in het eerste kalenderkwartaal van 2022.
Artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder a
1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels;