Standpunt van partijen
Standpunt van [naam 1]
3 Volgens [naam 1] is geen sprake van een overtreding en kan haar in ieder geval geen verwijt worden gemaakt. Volgens [naam 1] heeft zij bij het transport van de varkens de bepalingen van het Hitteprotocol gerespecteerd. Er geldt volgens dit protocol pas een verbod voor het vervoeren van dieren boven de 35°C. Het transport vond plaats op 24 juni 2019. Omdat de voorspellingen wezen op temperaturen hoger dan 30°C (maar niet hoger dan 35°C) zijn er minder dieren geladen (-12%), stonden alle ventilatoren maximaal in werking en was de route vooraf gecheckt en leek deze vrij. De vervoersafstand was bovendien slechts 21,55 kilometer. Tijdens het laden en het transporteren van de dieren was nog geen enkele sprake van hittestress bij de dieren. Pas bij het slachthuis kreeg de transporteur te maken met vertraging die op geen enkele wijze was te voorzien. Die vertraging zorgde ervoor dat de wagen lange tijd in de brandende zon heeft gestaan. De wagen kwam aan om 12.45 uur maar mocht pas om 14.15 uur het terrein van de slachterij op, en werd pas om 15.30 uur gelost. Eerst gedurende de wachttijd op het parkeerterrein heeft de controle plaatsgevonden en zijn de temperaturen in de vrachtwagen gemeten.
Volgens [naam 1] was wel sprake van warmte bij de dieren, maar niet van hittestress en onnodig lijden. Oplopende warmte uit zich bij varkens inderdaad in het sneller ademen met geopende bek, het proberen elkaar niet aan te raken, het smakken en het speekselen, maar die uiterlijke verschijnselen komen bij varkens ook bij lagere temperaturen voor, nu - zoals ook in de veterinaire verklaring wordt opgemerkt - varkens al vanaf 16°C verkoeling gaan zoeken. Het ‘warm hebben’ wil echter nog niet zeggen dat er sprake is van lijden. Het verschil tussen het warm hebben en onnodig lijden wordt in het rapport niet gegeven, zodat er geen sprake is van een objectieve observatie. Ook uit het BuRo-advies blijkt dat dieren het warm kunnen hebben zonder onnodig te lijden en zonder hittestress te hebben. Nu in de veterinaire verklaring al bij een veel lagere temperatuur vermijdbaar lijden wordt aangenomen, moet deze verklaring ernstig in twijfel worden getrokken.
Standpunt van de minister
4 De minister merkt allereerst op dat de vraag of er sprake is van lijden bij de dieren kan en moet worden afgeleid uit de geconstateerde bevindingen welke in een naar waarheid opgemaakt rapport en in een veterinaire verklaring zijn neergelegd. In de veterinaire verklaring is voldoende duidelijk en concreet uiteengezet op basis van welke indicatoren de toezichthouder concludeert dat de dieren verschijnselen vertoonden van hittestress. De bevindingen van de toezichthouders worden door [naam 1] nauwelijks gemotiveerd weerlegd, bijvoorbeeld door een verklaring van een onafhankelijke dierenarts.
Dat uit onderzoek blijkt dat varkens al vanaf 16°C verkoeling beginnen te zoeken, benadrukt des te meer het reële risico op hittestress bij varkens bij hogere temperaturen. Hittestress betekent dat de dieren lijden. Vervolgens is gekeken of dat lijden voorkomen had kunnen worden. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met het Hitteprotocol en dat protocol meegenomen in haar beoordeling.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
[naam 1] heeft in hoger beroep in grote lijnen herhaald wat zij bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het College verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. Het College voegt hier het volgende aan toe.
Het College ziet geen aanleiding voor twijfel aan de in het rapport en de veterinaire verklaring neergelegde bevindingen. Hierin is duidelijk beschreven wat de inspecteurs en de toezichthoudend dierenarts hebben waargenomen. De juistheid van die feitelijke waarnemingen heeft [naam 1] niet betwist. De toezichthoudend dierenarts heeft beschreven dat de varkens contact met elkaar probeerden te vermijden en zo min mogelijk probeerden te bewegen. De toezichthoudend dierenarts heeft ook waargenomen dat een aantal varkens de kop naar de ventilatoren gericht had. Bovendien heeft hij waargenomen dat alle voor hem zichtbare varkens ademden met geopende bek, dat de ademhalingsfrequentie sterk was verhoogd (90-150, waar deze in rust 25-35 bedraagt) en dat de meeste varkens frequent smakten en speekselden. Verder zag hij een aantal varkens met deels weggedraaide ogen. De varkens reageerden amper op zijn aanwezigheid en maakten een versufte, apathische indruk. Dit zijn volgens de toezichthoudend dierenarts allemaal uitingen van hittestress bij varkens, die niet kunnen zweten en zo hun overtollige warmte kunnen kwijtraken.
Op grond van het rapport van bevindingen en de veterinaire verklaring heeft de minister terecht vastgesteld dat er meer aan de hand was dan dat de varkens het warm hadden, maar dat sprake was van hittestress waardoor de varkens hebben geleden. De ter zitting bij het College aanwezige dierenarts heeft dit nog eens bevestigd. Dat de toezichthoudend dierenarts in de veterinaire verklaring te kennen heeft gegeven dat naar zijn mening het beter zou zijn bij een temperatuur vanaf 31°C geen varkenstransport te laten plaatsvinden, doet niet af aan de overtuigingskracht van deze verklaring. De toezichthoudend dierenarts heeft de vaststelling van hittestress bij de varkens immers voldoende onderbouwd met zijn waarnemingen.
Dat [naam 1] , naar zij stelt, heeft voldaan aan het Hitteprotocol (Protocol Veetransport onder extreme temperaturen) sluit naar het oordeel van het College niet uit dat onder bepaalde omstandigheden het vervoer van dieren toch in strijd kan zijn met bepalingen van de Transportverordening.
Daarbij komt dat, zoals de rechtbank terecht heeft opmerkt, het Hitteprotocol geen wettelijk voorschrift is en de minister aan het boetebesluit niet ten grondslag heeft gelegd dat [naam 1] niet heeft voldaan aan het Hitteprotocol. Het besluit is gebaseerd op handelen van [naam 1] in strijd met bepalingen in de Transportverordening. Afgezien daarvan heeft de minister in reactie op het standpunt van [naam 1] bestreden dat [naam 1] het Hitteprotocol ten volle heeft nageleefd. Volgens de minister had [naam 1] in lijn met het Hitteprotocol het transport eerder op de dag kunnen uitvoeren en had [naam 1] minder varkens kunnen vervoeren dan zij heeft gedaan.
Het College is – met de rechtbank - van oordeel dat de wachttijd tussen de aankomst bij het slachthuis en het lossen van de varkens niet kan gelden als een onvoorziene omstandigheid. De dag voor het transport was een temperatuur voorspeld van boven de 30°C. [naam 1] had zich kunnen voorbereiden op maatregelen ter voorkoming van hittestress bij de varkens in geval het transport langer zou duren dan gepland. Verder heeft de wagen van [naam 1] , voordat deze om 14.15 uur het parkeerterrein van de slachterij opreed, anderhalf uur buiten de poort staan wachten. [naam 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er geen andere optie was dan met de wagen met varkens in de zon te blijven stilstaan.
Het College oordeelt daarom dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister met het rapport van bevindingen en de veterinaire verklaring het bewijs heeft geleverd dat [naam 1] een overtreding heeft begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling artikel 3, aanhef en onder a en f van de Transportverordening.
De hogerberoepsgronden wat betreft de vaststelling van de overtreding slagen niet. De minister was dan ook bevoegd om voor de geconstateerde overtreding een boete op te leggen.
Het College is van oordeel dat de hoogte van de boete gezien de aard en ernst van de geconstateerde overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, evenredig is. Evenals de rechtbank is het College van oordeel dat de minister terecht heeft vastgesteld dat de gevolgen van deze overtreding voor het dierenwelzijn
ernstig waren. Daarbij is volgens het College van belang dat hittestress is geconstateerd bij een groot aantal aangevoerde varkens. De boete mocht daarom op grond van artikel 2.3, aanhef en onder b, van het Besluit handhaving worden verdubbeld.
Overschrijding redelijke termijn
[naam 1] heeft aangevoerd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
In bestraffende zaken geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar.
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het voornemen tot boeteoplegging van 14 mei 2020. Het College ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de totale redelijke termijn voor deze procedure meer dan vier jaar zou moeten bedragen. Op het moment van deze uitspraak is deze redelijke termijn overschreden met ruim drie maanden.
Volgens vaste rechtspraak wordt bij overschrijding van de redelijke termijn de boete in beginsel gematigd met 5% per half jaar waarmee de termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven moet worden afgerond. Het College ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Het College zal de boete dan ook verlagen
met 5% en vaststellen op € 2.850,-.
Conclusie
Het College zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft. Hij zal het bij de rechtbank ingestelde beroep van [naam 1] tegen het bestreden besluit in zoverre gegrond verklaren, het bestreden besluit in zoverre vernietigen, het boetebesluit in zoverre herroepen, de boete vaststellen op € 2.850,- en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. Voor het overige zal het College de aangevallen uitspraak bevestigen.
Het College zal de minister verder veroordelen in de door [naam 1] gemaakte proceskosten. Het College stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 437,50 (één punt voor het verzoek tot matiging, met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 875,-) voor verleende rechtsbijstand.
Het College zal de minister opdragen het griffierecht van € 548,- aan [naam 1] te vergoeden.
Beslissing
Het College:
vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover het de hoogte van de boete betreft;
verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [naam 1] gegrond en vernietigt het besluit op bezwaar voor zover het de hoogte van de boete betreft;
herroept het boetebesluit van 5 juni 2020 voor zover daarin de hoogte van de boete is bepaald op € 3.000,-. en stelt de boete vast op € 2.850.-;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit op bezwaar;
bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
veroordeelt de minister in de proceskosten van [naam 1] tot een bedrag van € 437,50;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 548,- aan [naam 1] te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Stoové, mr. C.T. Aalbers en mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
w.g. M.C. Stoové w.g. H.G. Egter van Wissekerke
Bijlage
Volgens artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren is het verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Volgens artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren worden als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren aangewezen de artikelen 3 tot en met 9 en 12, van Verordening (EG) nr. 1/2005 (de Transportverordening) (…).
Volgens artikel 3 van de Transportverordening is het verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent. Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
a.
vooraf zijn alle nodige voorzieningen getroffen om de duur van het transport tot een minimum te beperken en tijdens het transport in de behoeften van de dieren te voorzien; (…)
f.
het transport wordt zonder oponthoud tot de plaats van bestemming uitgevoerd, en de omstandigheden voor het welzijn van de dieren worden regelmatig gecontroleerd en naar behoren in stand gehouden;
Volgens artikel 2.3, aanhef en onder b, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, verdubbeld indien de risico’s of gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu ernstig zijn.