ECLI:NL:CBB:2024:902

ECLI:NL:CBB:2024:902, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 10-12-2024, 23/1717

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 10-12-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/1717
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002755 BWBR0005537

Samenvatting

Besluit vaststelling maximumtarieven warmteleveranciers. Belanghebbendheid individuele afnemer.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 december 2024 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats]

de Autoriteit Consument en Markt

uitspraak

zaaknummer: 23/1717

en

(gemachtigden: mr. T. Telder, mr. S.A. Broodman en mr. M.C.F. van Duijn)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Vereniging Energie-Nederland, te Den Haag, (VEN)

(gemachtigden: mr. J.E. Janssen en mr. B.J.M. van Oorschot)

Procesverloop

Met het besluit van 9 december 2022 heeft de ACM op grond van de Warmtewet maximumtarieven per 1 januari 2023 vastgesteld (Tarievenbesluit).

Met het besluit van 14 juli 2023 (bestreden besluit) heeft de ACM, voor zover van belang, het bezwaar van [naam 1] tegen het Tarievenbesluit ongegrond verklaard.

[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De ACM heeft een verweerschrift ingediend.

VEN heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Ten aanzien van een aantal stukken die de ACM verplicht is over te leggen heeft zij medegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissing van 24 oktober 2024 heeft de rechter-commissaris de gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht. [naam 1] en VEN hebben het College toestemming verleend om ook op grondslag van die stukken uitspraak te doen.

De zitting was op 12 november 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 1] , de gemachtigden van de ACM en namens VEN de gemachtigde Van Oorschot en [naam 2] .

Overwegingen

1. De ACM stelt jaarlijks de maximumtarieven vast die een leverancier van warmte in rekening mag brengen. Het beroep van [naam 1] gaat over de maximumtarieven voor warmtelevering die de ACM in het Tarievenbesluit heeft vastgesteld. [naam 1] is een particulier die warmte afneemt van Eneco.

2 VEN heeft zich op het standpunt gesteld dat het College niet toe zou moeten komen aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep, omdat het bezwaar van [naam 1] niet- ontvankelijk is. [naam 1] is als individuele particuliere afnemer volgens VEN geen belanghebbende bij het Tarievenbesluit, omdat hij geen persoonlijk belang heeft. Het belang van [naam 1] onderscheidt zich niet voldoende van de belangen van alle andere honderdduizenden aangeslotenen op een collectief warmtenet.

3 De ACM heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat [naam 1] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem bestreden tarieven voor hem nadelige financiƫle gevolgen hebben en dat hij daarom een persoonlijk belang heeft bij die tarieven. De ACM heeft hierbij verwezen naar wat [naam 1] tijdens de hoorzitting in bezwaar naar voren heeft gebracht. [naam 1] heeft daar gesteld dat Eneco tarieven hanteert op het niveau van de door de ACM vastgestelde maximumtarieven. Verder heeft hij aangegeven dat het realistisch is om te denken dat zijn warmteverbruik in 2023 uitkomt boven de verbruiksgrens van warmte, waarvoor het prijsplafond geldt. [naam 1] heeft daaraan toegevoegd dat, als dat anders zou zijn, hij in zijn woongenot wordt aangetast in zijn streven om maar niet boven die verbruiksgrens uit te komen. De ACM heeft in de beoordeling van de belanghebbendheid meegewogen dat de bescherming van kleinverbruikers tegen het in rekening brengen van te hoge tarieven door een monopolist een (centrale) doelstelling is in de Warmtewet (Kamerstukken II 2016-2017, 34723, nr. 3, blz. 4).

4 Het College is van oordeel dat [naam 1] geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het College licht dit als volgt toe.

5 Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende moet volgens de rechtspraak sprake zijn van een eigen, persoonlijk (dat wil zeggen: voldoende onderscheidend), objectief bepaalbaar, actueel en voldoende zeker belang, dat bovendien rechtstreeks bij het besluit is betrokken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 20 juni 2023, ECLI:NL:CBB:2023:313, onder 3).

6 De belangen waarop [naam 1] zich heeft beroepen, zijn belangen die zich niet in voldoende mate onderscheiden van de belangen van alle andere afnemers van warmte waarop de Warmtewet ziet. Dat [naam 1] afnemer is van een warmteleverancier die de maximumtarieven hanteert, maakt niet dat hij een voldoende onderscheidend belang heeft. Het Tarievenbesluit heeft voor alle afnemers hetzelfde gevolg, namelijk dat zij maximaal met de door de ACM vastgestelde tarieven zullen worden geconfronteerd. Gelet op de algemene strekking van het Tarievenbesluit, is niet voldoende onderscheidend dat de vastgestelde maximumtarieven door het persoonlijke verbruik en de persoonlijke situatie van de afnemer per afnemer mogelijk een andere impact hebben. Dit valt ook af te leiden uit de uitspraken van het College van 28 april 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:145, 11 mei 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:139) en 13 februari 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:50).

7 Het College merkt in dit verband nog op dat afnemers wel kunnen opkomen tegen een besluit tot vaststelling van maximumtarieven als zij zijn verenigd in een representatieve organisatie. Dit volgt uit artikel 23 van de Warmtewet.

8 Het College concludeert dat de ACM het bezwaar ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. Dat betekent dat het beroep gegrond zal worden verklaard, maar niet met het door [naam 1] gewenste resultaat. Het College zal het bestreden besluit vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Aan een inhoudelijke behandeling van het beroep komt het College dus niet toe.

9 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Het College:

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. M. van Duuren en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. I.C. Hof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2024.

w.g. J.H. de Wildt w.g. I.C. Hof

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?