COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/880
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 10 december 2024 op het hoger beroep van
de erven van [naam 1] , te [plaats] (erven)
(gemachtigde: W.C. Bikker)
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 12 april 2022 (ECLI:NL:RBOBR:2022:1393) in het geding tussen
de erven
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. M. Leegsma)
In verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft het College als derde partij aangemerkt:
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat)
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen en partijen, gelet op het bepaalde in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben laten weten gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord.
2 Het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over een aan [naam 1] , die als eenmanszaak handelde onder de naam [naam 2] , opgelegde bestuurlijke boete van € 9.863,-. Die boete is opgelegd in het besluit van 11 juli 2019 (boetebesluit) en gehandhaafd in het besluit van 25 oktober 2019 (bestreden besluit). [naam 1] heeft daartegen beroep ingesteld en is tijdens de beroepsprocedure overleden. De erven hebben de procedure voortgezet. De rechtbank heeft, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep gegrond verklaard en de boete gematigd tot € 9.369,85.
In artikel 5:42, tweede lid, van de Awb is bepaald dat een bestuurlijke boete vervalt indien zij op het tijdstip van overlijden van de overtreder niet onherroepelijk is. Het College heeft de minister schriftelijk gevraagd welke betekenis dit artikel voor de deze zaak heeft.
De minister heeft geantwoord dat de boete is opgelegd aan [naam 1] . Hij is tijdens de beroepsprocedure overleden en de boete stond toen nog niet onherroepelijk vast. De boete is daarom vervallen. Volgens de minister hebben de erven daarom geen procesbelang meer.
De erven erkennen dat zij hun belang bij een inhoudelijk oordeel over de boete hebben verloren met het vervallen van die boete. Zij vragen om schadevergoeding voor het overschrijden van de redelijke termijn en vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Het College is het met partijen eens dat de erven hun belang bij een inhoudelijke oordeel van de boete hebben verloren doordat de boete is vervallen. Niettemin hebben zij hun procesbelang behouden, nu de rechtbank haar oordeel niet heeft afgestemd op de werking van artikel 5:42, tweede lid, van de Awb. Het College zal de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de bepalingen over het griffierecht en de proceskosten, vernietigen. Het College zal, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het boetebesluit herroepen. Het College zal bepalen dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
De minister moet de door de erven gemaakte proceskosten in hoger beroep vergoeden. Het College begroot deze op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 875,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt ter waarde van € 875,- en een wegingsfactor 1 voor het hoger beroepschrift). De minister moet ook het betaalde griffierecht van € 274,- vergoeden.
Over het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, overweegt het College als volgt. Nu er geen boetebesluit meer is, bedraagt de vergoeding van immateriële schade € 500,- per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, naar boven afgerond.
In deze zaak geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor de procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) is overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar. Factoren die aanleiding zouden kunnen zijn om een overschrijding van deze behandelingstermijn gerechtvaardigd te achten, ontbreken. Voor de toerekening van de schadevergoeding mag de bestuurlijke fase ten hoogste een jaar duren, de behandeling van het beroep ten hoogste één jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar.
De redelijke termijn begint in deze zaak op 16 mei 2019, de datum waarop de minister het voornemen tot boeteoplegging heeft toegezonden.
Dit betekent dat op het moment van deze uitspraak, de redelijke termijn met ruim anderhalf jaar is overschreden en dat de erven recht hebben op € 2000,- schadevergoeding.
De overschrijding van de redelijke termijn is geheel aan de rechter toe te rekenen. Gelet hierop zal het College de Staat veroordelen tot vergoeding van immateriële schade aan de erven tot een bedrag van € 2000,-.
De Staat moet ook de proceskosten vergoeden die de erven hebben gemaakt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten heeft het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 437,50 (1 punt voor het verzoek, met een waarde van € 875,- en een wegingsfactor 0,5) voor verleende rechtsbijstand.
Beslissing
Het College:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2024.
R.C. Stam J.W.E. Pinckaers
de voorzitter is
verhinderd de
uitspraak te ondertekenen