COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
de Autoriteit Consument en Markt, (ACM),
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Netbeheer Nederland,
beslissing
zaaknummers: 24/465, 24/466, 24/468, 24/479, 24/480, 24/481, 24/482, 24/483, 24/486, 24/487, 24/488, 24/489, 24/493 en 24/495
beslissing van de rechter-commissaris op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaken tussen
appellanten,
en
(gemachtigden: mr. G.J. la Bastide en mr. B. Özkaya).
(gemachtigden: mr. J.E. Janssen en mr. B.J.M. van Oorschot).
Procesverloop
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de ACM van 12 april 2024.
De ACM heeft de vertrouwelijke versie van een aantal gedingstukken ingezonden en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op de mededeling van de ACM.
ProRail, LHV e.a., HTM e.a. en de minister van Infrastructuur en Waterstaat en de staatssecretaris Openbaar vervoer en Milieu hebben een schriftelijke reactie ingediend.
De ACM heeft naar aanleiding van vragen van de rechter-commissaris de mededeling aangepast. De mededeling ziet nu nog op (delen van) de stukken die in de inventarislijst zijn aangegeven als: 2, 17, 20, 26, 38, 39, 76, 96, 122, 123, 133, 134, 136 en 140.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist het College of de weigering dan wel beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Met toepassing van artikel 8:12 van de Awb heeft het College een rechter-commissaris opgedragen deze beslissing te nemen
2. Bij deze beslissing moet de rechter-commissaris belangen tegen elkaar afwegen. Aan de ene kant speelt hierbij het belang dat partijen beschikken over dezelfde voor het beroep relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Aan de andere kant kan kennisneming van bepaalde gegevens door de ene partij het belang van een of meer andere partijen onevenredig schaden, terwijl de ACM er belang bij heeft ook in de toekomst de informatie, waaronder concurrentiegevoelige gegevens, aangeleverd te krijgen die zij voor een goede uitoefening van haar taken nodig heeft. Onder concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens vallen ook gegevens die, hoewel zelf niet als bedrijfsgegevens aan te merken, niettemin inzicht kunnen bieden in de door betrokkene(n) voorgestane (markt)strategie
3. De ACM heeft als reden voor de beperking van de kennisneming van deze stukken verwezen naar een algemene motivering zoals opgenomen in de ‘Standaardtabel motivering vertrouwelijkheid’, aangevuld met een nadere motivering van 7 oktober 2024 en een aanvullende motivering van 29 november 2024. Daarbij heeft de ACM aangegeven dat vertrouwelijkheid van (delen van) deze stukken aangewezen is omdat sprake is van bedrijfsvertrouwelijke gegevens, persoonsgegevens, respectievelijk gegevens die het toekomstig functioneren van de ACM in haar toezichthoudende taak kunnen raken.
4. De rechter-commissaris oordeelt – na een nadere motivering van de ACM – dat de gevraagde beperking van de kennisneming van de stukken 17, 20, 26, 96 en 122 gerechtvaardigd is. Het betreft stukken die bedrijfsvertrouwelijke gegevens bevatten, die soms ook in vertrouwen zijn gedeeld met de ACM, of gegevens waaruit (een deel van) de (markt)strategie van betrokkenen zou kunnen worden afgeleid, voor zover al niet zonder meer sprake is van concurrentiegevoelige gegevens. Deze gegevens moeten vertrouwelijk blijven, omdat openbaarmaking van deze informatie tot een onevenredig nadeel voor de verstrekker van de gegevens zal kunnen leiden.
5. De rechter-commissaris oordeelt dat beperking van de kennisneming van de stukken 2, 38, 39, 76, 123, 133, 134 en 140 gerechtvaardigd is. Deze stukken bevatten persoonsgegevens van verschillende niet bij deze procedure betrokken personen. Deze gegevens moeten vertrouwelijk blijven, omdat kennisneming van deze informatie door alle partijen tot een onevenredig nadeel voor betrokkenen zal kunnen leiden en een inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer tot gevolg zal kunnen hebben. De rechter-commissaris heeft verder meegewogen het belang van de ACM om ook in de toekomst de informatie aangeleverd te krijgen die zij voor een goede uitoefening van haar taken nodig heeft. Voorts oordeelt de rechter-commissaris dat kennisneming van deze informatie door de partijen die er niet over beschikken niet noodzakelijk is om hun belangen naar behoren te kunnen bepleiten.
6. De rechter-commissaris oordeelt – na een nadere motivering van de ACM – dat beperking van de kennisneming van stuk 136 gerechtvaardigd is. Het stuk bevat informatie over transportverzoeken van regionale overheden die in vertrouwen met de netbeheerders is gedeeld, welke informatie de netbeheerders weer in vertrouwen met de ACM hebben gedeeld. De rechter-commissaris acht aannemelijk dat de openbaarmaking van deze specifieke informatie van derden zowel gevolgen kan hebben voor deze derden (de eerdergenoemde bestuursorganen) als voor het toekomstig functioneren van de ACM als toezichthouder. Onbeperkte kennisneming van deze informatie zal tot een onevenredig nadeel voor de verstrekker van de gegevens, dan wel voor de ACM kunnen leiden, terwijl kennisneming daarvan door partijen niet noodzakelijk is om hun belangen naar behoren te kunnen bepleiten.
7. Het College kan alleen met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken uitspraak doen. Appellanten en derde-partij worden verzocht zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk op de zitting van 11 december 2024, schriftelijk kenbaar te maken of zij ermee instemmen dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van deze stukken uitspraak doet op hun beroepen.
Beslissing
De rechter-commissaris:
- beslist dat de gevraagde beperking van de kennisneming van de stukken 2, 17, 20, 26, 38, 39, 76, 96, 122, 123, 133, 134, 136 en 140 gerechtvaardigd is;
- verzoekt appellanten en derde-partij zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk op de zitting van 11 december 2024, schriftelijk aan het College kenbaar te maken of zij ermee instemmen dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken 2, 17, 20, 26, 38, 39, 76, 96, 122, 123, 133, 134, 136 en 140 uitspraak doet op het beroep, voor zover zij deze stukken niet kennen.
Aldus genomen door mr. T. Pavićević, in tegenwoordigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen als griffier, op 5 december 2024. .
w.g. T. Pavićević w.g. Y.R. Boonstra-van Herwijnen