COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] B.V., te [woonplaats 1] ,
de minister voor Klimaat en Energie
Samenvatting
uitspraak
zaaknummer: AWB 24/221
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 30 april 2024 in de zaak tussen
[naam 2] B.V., te [woonplaats 1] ,
[naam 3] B.V., te [woonplaats 1] ,
[naam 4] , te [woonplaats 1] ,
[naam 5] , te [woonplaats 2] ,
de subsidieaanvragers,
gemachtigde: [naam 6]
en
In deze uitspraak oordeelt het College dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is. Het College stelt de minister een termijn om te beslissen en verbindt daaraan een dwangsom. Verder veroordeelt het College de minister tot vergoeding van de proceskosten en het door de subsidieaanvragers betaalde griffierecht.
Procesverloop
Namens de subsidieaanvragers zijn twee bulkaanvragen onder [nummer 1] en [nummer 2] (TTB-aanvragen) bij de minister ingediend op grond van de Tijdelijke subsidieregeling tegemoetkoming blokaansluitingen (TTB).
Met de brief van 11 oktober 2023 heeft de minister de ontvangst van de TTB-aanvragen op 29 september 2023 aan de subsidieaanvragers bevestigd.
Met de brief van 4 januari 2024 heeft de minister de beslistermijn op de TTB-aanvraag met 13 weken verlengd tot uiterlijk 29 maart 2024.
Met de brief van 8 januari 2024 hebben de subsidieaanvragers de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op de TTB-aanvragen en daarbij vermeld dat zij na twee weken aanspraak maakt op een dwangsom.
Met het besluit van 10 januari 2024 heeft de minister een beslissing op de ingebrekestelling genomen en vastgesteld dat hij geen schadevergoeding (lees: dwangsom) is verschuldigd (dwangsombesluit).
De subsidieaanvragers hebben bij de rechtbank Noord-Nederland beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de TTB-aanvragen. De rechtbank heeft het beroepschrift op 1 februari 2024 ontvangen en op 28 februari 2024 naar het College doorgezonden, waar het op 29 februari 2024 ter griffie is ontvangen.
De minister heeft met de brief van 16 maart 2024 een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om vast te stellen dat het beroep (kennelijk) gegrond is. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De subsidieaanvragers betogen dat de minister niet binnen de daarvoor geldende termijn op haar TTB-aanvragen heeft beslist. De subsidieaanvragers verzoeken het College daarom het beroep gegrond te verklaren, daarbij de minister op te dragen alsnog binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de TTB-aanvragen op straffe van een hieraan te verbinden dwangsom en de minister te veroordelen in de proceskosten in beroep.
3 Ter beoordeling staat of de voor de TTB-aanvragen geldende beslistermijn op
9 januari 2024, de datum van ontvangst van de ingebrekestelling door de minister, was verstreken. Het College oordeelt hierover als volgt.
Op grond van artikel 4.3, eerste lid, van de TTB beslist de minister op een aanvraag voor subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag. Op grond van het tweede lid kan deze termijn eenmaal met ten hoogste 13 weken worden verlengd.
Hieruit volgt dat de beslistermijn in ieder geval is verstreken indien binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag geen beslissing is genomen en ook niet tijdig is medegedeeld dat de termijn wordt verlengd. Tussen partijen is in geschil wat als ontvangstdatum van de TTB-aanvragen moet worden aangemerkt en wat daarmee de uiteindelijke beslisdatum voor de minister was, alsmede of de minister tijdig de beslistermijn heeft verlengd.
Volgens de subsidieaanvragers is de aanvraagdatum van de TTB 23 augustus 2023 respectievelijk 29 augustus 2023, maar in ieder geval 19 september 2023. De ontvangst van de op 19 september 2023 ingediende TTB-aanvragen is op 19 september 2023 per e-mail door de contactpersoon bij de Belastingdienst bevestigd. Volgens de minister kan deze e-mail echter niet als officiële ontvangstbevestiging gelden en dient te worden uitgegaan van de datum waarop de aanvraagformulieren daadwerkelijk zijn ingelezen in het hiervoor bestemde systeem, namelijk op 29 september 2023. Met de brief van 11 oktober 2023 is deze ontvangstdatum bevestigd. Daarom moet deze brief als officiële ontvangstbevestiging van de TTB-aanvragen worden gezien. Hiermee eindigde de beslistermijn op 3 januari 2024. Met de brief van 4 januari 2024, die op 30 december 2023 is aangemaakt en verzonden, is de beslistermijn volgens de minister tijdig verlengd. De ingebrekestelling is daarom prematuur. Met het besluit van 10 januari 2024 heeft de minister een beslissing op de ingebrekestelling genomen.
Het College is van oordeel dat moet worden uitgegaan van een ontvangstdatum van (niet later dan) 19 september 2024, de datum waarop de TTB-aanvragen zijn ingediend door de subsidieaanvragers en de ontvangst hiervan door de contactpersoon bij de Belastingdienst is bevestigd. De minister heeft niet betwist dat de subsidieaanvragers op die dag een volledige subsidieaanvraag hebben ingediend. Dat de aanvraag pas op een later moment is “ingelezen’, doet daaraan niet af, aangezien dat geen vereiste is voor indiening van de aanvraag, maar alleen (kennelijk) onderdeel van een interne administratieve procedure. De datum van indiening van de (volledige) aanvraag is leidend bij het bepalen wanneer de beslistermijn aanvangt.
Dat betekent dat de minister uiterlijk op 19 december 2023 een besluit op de TTBaanvragen had moeten nemen, dan wel de beslistermijn had moeten verlengen. Nu dit niet is gebeurd, is de ingebrekestelling van de subsidieaanvragers niet prematuur en had de minister binnen twee weken na ontvangst hiervan alsnog een beslissing op de TTB-aanvragen moeten nemen. Dit heeft de minister echter niet (volledig) gedaan. Hieruit volgt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond is. Ten overvloede overweegt het College in aanvulling hierop nog dat de minister, indien zou moeten worden uitgegaan van een ontvangstdatum van 29 september 2023, uiterlijk op 29 december 2023 op de TTB-aanvraag had moeten beslissen, dan wel de beslistermijn had moeten verlengen. Nu de minister de beslistermijn pas met de brief van 4 januari 2024 heeft willen verlengen is dit ook buiten de hiervoor geldende termijn gebeurd. Dat de minister stelt dat de brief van 4 januari 2024 feitelijk reeds eerder dan deze datum is aangemaakt en verzonden maakt dit niet anders.
5 Het College bepaalt daarom dat de minister binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog besluiten bekendmaakt op de TTB-aanvragen en verbindt daaraan een dwangsom per bulkaanvraag van €100,- voor iedere dag dat de minister in gebreke blijft de uitspraak na te leven.
6 Op grond van artikel 6:20, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 4:19, eerste lid, van de Awb neemt het College aan dat het beroep eveneens betrekking heeft op het dwangsombesluit. Uit het beroepschrift maakt het College op dat de subsidieaanvragers dit besluit betwisten. Met (overeenkomstige) toepassing van artikel 8:55c van de Awb stelt het College daarom tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verschuldigde dwangsom vast. Deze bedraagt, gelet op de lengte van de overschrijding en de omstandigheid dat, voor zover bekend, nog niet volledig op de twee bulkaanvragen zijn genomen, de maximale dwangsom per bulkaanvraag van € 1.442,-, dus in totaal € 2.884,-.
6 Verder veroordeelt het College de minister tot vergoeding van de proceskosten. De hoogte van deze vergoeding is vastgesteld aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de rechtsbijstand door de gemachtigde stelt het College de proceskostenvergoeding vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5). Tenslotte draagt het College de minister op om de het betaalde griffierecht van € 371,- aan de subsidieaanvragers te vergoeden.
Beslissing
Het College:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond;
- draagt de minister op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de TTB-aanvragen van de subsidieaanvragers;
- bepaalt dat de minister aan de subsidieaanvragers een dwangsom verbeurt per bulkaanvraag voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,- bedraagt, met een maximum van 15.000;
- stelt de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast op in totaal 2.884,-;
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2024.
w.g. D. Brugman w.g. E.A. van der Meel
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.