COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 februari 2025 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming)
de minister van Economische Zaken
uitspraak
zaaknummer: 24/800
(gemachtigden: mr. F.W. Barendrecht en mr. D.M. Koenders)
en
(gemachtigde: mr. P. van Veen)
Procesverloop
Met het besluit van 16 april 2024 heeft de minister de subsidie voor het tweede kwartaal (Q2) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 880.038,25 en een bedrag van € 319.961,75 teruggevorderd.
Met het besluit van 29 juli 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 28 januari 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] en [naam 3] namens de onderneming, de gemachtigden van de onderneming en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
Inleiding
De hoogte van de subsidie die op grond van de Dierentuinregeling wordt verleend, wordt over twee periodes berekend door per periode de subsidiabele kosten te vermenigvuldigen met het percentage omzetverlies. De eerste periode is van 18 maart 2020 tot en met 14 mei 2020 en de tweede periode is van 15 mei 2020 tot en met 30 september 2020. Als een dierentuin in periode 2 geen omzetverlies heeft geleden, heeft de berekening voor die periode een negatief bedrag als uitkomst. Voor de bepaling van de hoogte van de subsidie wordt dat bedrag dan in mindering gebracht op het bedrag dat is berekend voor periode 1. In de toelichting bij de Dierentuinregeling (Stcrt. 2021, nr. 8380) is uitgelegd dat in periode 1 alle dierentuinen verplicht gesloten waren, zodat ze weinig tot geen omzet konden genereren. In periode 2 konden dierentuinen weer gedeeltelijk open, met bepaalde gezondheids- en veiligheidsmaatregelen. Het effect van deze maatregelen verschilde per dierentuin. Door de subsidie over twee periodes te berekenen, ontvangen dierentuinen niet meer subsidie dan ter ondersteuning nodig is, omdat dierentuinen die in de tweede periode weinig omzetverlies hadden of zelfs meer omzet hebben gedraaid, daarmee het grotere verlies uit periode 1 zelf kunnen opvangen.
Zowel de subsidies op grond van de TVL als op grond van de Dierentuinregeling zijn staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Staatssteun is in beginsel verboden, maar wordt in sommige gevallen toch toegestaan. Uit de toelichting bij de Dierentuinregeling blijkt dat de regeling voor zover deze ziet op periode 1 wordt gerechtvaardigd op grond van artikel 107, tweede lid, onderdeel b, van het VWEU. Daarin staat dat ‘steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen’ verenigbaar zijn met de interne markt. De schade die de dierentuinen in periode 1 hebben geleden is een rechtstreeks gevolg van de coronapandemie, omdat de dierentuinen toen volledig gesloten waren en de steun voor deze periode kan daarom op grond van dit artikel gerechtvaardigd worden. Voor periode 2 is de steun gerechtvaardigd op grond van de Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19 uitbraak (Tijdelijke kaderregeling).
In paragraaf 3.1 van de Tijdelijke kaderregeling staan de voorwaarden waaronder staatssteun verleend mag worden. Eén van die voorwaarden is dat de steun niet meer bedraagt dan het staatssteunplafond. Naarmate de pandemie voortduurde, is dat plafond een aantal keer verhoogd. Voor Q2 van 2021 was het plafond € 1.800.000,-. Beoordeling door het College
4. Partijen zijn het erover eens dat de subsidiebedragen voor periode 2 op grond van de Dierentuinregeling voor alle vier de dierentuinen meegenomen moeten worden bij de beantwoording van de vraag of het staatssteunplafond is overschreden.
5. De onderneming voert aan dat zij op grond van de Dierentuinregeling weliswaar voor periode 2 een bedrag van € 319.961,75 heeft ontvangen, maar dat de totale subsidie voor de vier dierentuinen van de groep voor periode 2 een negatief bedrag van - € 512.409,- betrof. De onderneming vindt dat de minister dit negatieve bedrag in mindering had moeten brengen op de subsidie op grond van de TVL en dat het staatssteunplafond dan niet is overschreden.
Het College oordeelt dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat het staatssteunplafond is overschreden. Uit artikel 2.3.18, aanhef en onder c, sub 1, van de TVL volgt dat de minister een subsidieaanvraag voor Q2 van 2021 moet afwijzen voor zover de totale door de groep ontvangen steun die wordt gerechtvaardigd door paragraaf 3.1 van de Tijdelijke kaderregeling meer bedraagt dan € 1.800.000,-. De subsidie voor Q1 van 2021 is vastgesteld op € 600.000,- en voor Q2 van 2021 op € 1.200.000,-. Daarnaast heeft de onderneming op grond van de Dierentuinregeling voor periode 2 een bedrag van € 319.961,75 ontvangen. Dat bij de andere drie dierentuinen de berekening voor periode 2 uitkwam op een negatief bedrag, waardoor zij over periode 1 een lager bedrag aan subsidie hebben ontvangen op grond van de Dierentuinregeling, is geen omstandigheid die van betekenis is voor de toepassing van artikel 2.3.18, aanhef en onder c, sub 1, van de TVL. Op grond van deze bepaling mag de totale door de groep ontvangen steun het staatssteunplafond niet overschrijden. Het negatieve bedrag is de uitkomst van een berekening en een factor die wordt gebruikt voor de berekening van de hoogte van de subsidie. Het negatieve bedrag is zelf geen ontvangen (of terugbetaalde) steun voor periode 2.
Het voorgaande betekent dat de onderneming € 319.961,75 aan steun boven het staatssteunplafond heeft ontvangen. De minister heeft de subsidie voor Q2 van 2021 daarom terecht lager vastgesteld en dit bedrag teruggevorderd. Uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies volgt dat de minister een subsidievaststelling kan intrekken of ten nadele van de ontvanger kan wijzigen voor zover subsidieverstrekking in strijd zou zijn met de staatssteunregels. Dat de minister de subsidie ook lager moet vaststellen in het geval dat meer subsidie is toegekend dan is toegestaan onder het staatssteunplafond, volgt uit paragraaf 3.1 van de Tijdelijke kaderregeling (zie ook de uitspraak van het College van 19 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:205).
7 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, mr. B. Bastein en mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2025.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk