COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2025 in de zaak tussen
[naam 1] , te [woonplaats]
de minister van Klimaat en Groene Groei
uitspraak
zaaknummer: 23/1288
en
(gemachtigde: mr. M. Zweers)
Procesverloop
Met het besluit van 3 november 2022 heeft de minister aan [naam 1] een subsidie op grond van titel 4.5 Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) verleend.
Met het besluit van 17 april 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard.
[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 22 mei 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] , zijn partner [naam 2] en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1 [naam 1] heeft op 13 juni 2022 subsidie op grond van de Regeling aangevraagd voor investeringen in een warmtepomp, gevelisolatie, spouwmuurisolatie en glasisolatie. De minister heeft alleen subsidie verleend voor de warmtepomp. Voor het overige is de aanvraag afgewezen omdat deze niet is ingediend binnen twaalf maanden na uitvoering van de maatregelen. Voor een deel van de glasisolatie is de aanvraag wel tijdig ingediend, maar daarvoor geldt dat niet de minimale vereiste oppervlakte glas is vervangen door isolerend glas. In het bestreden besluit heeft de minister nog aangevuld dat ook niet is voldaan aan de voorwaarde dat het isolatiemateriaal is aangebracht door een bouwbedrijf.
Het College oordeelt dat de minister de subsidieaanvraag voor de investeringen in de isolatiemaatregelen terecht heeft afgewezen, omdat niet aan de voorwaarden is voldaan. Hieronder legt het College uit waarom.
In artikel 4.5.9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling (zoals deze luidde ten tijde van de aanvraag) staat dat de minister afwijzend op een aanvraag beslist als deze later is ingediend dan 12 maanden na het aanbrengen van isolatiemateriaal. Uit de facturen die [naam 1] bij zijn aanvraag heeft ingediend, blijkt dat het eerste deel van de glasisolatie is aangebracht op 15 februari 2021. De gevelisolatie is op 1 maart 2021 aangebracht en de spouwmuurisolatie op 31 mei 2021. Omdat de aanvraag op 13 juni 2022 is ingediend, moest de minister de aanvraag voor deze drie maatregelen afwijzen. Het tweede deel van de glasisolatie is aangebracht op 30 augustus 2021, wat betekent dat de aanvraag voor deze maatregel wel tijdig is gedaan. Uit artikel 4.5.2, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling volgt echter dat ten minste 8 vierkante meter glas moet worden vervangen. [naam 1] heeft op 30 augustus 2021 slechts 6 vierkante meter glas vervangen, zodat ook deze investering niet in aanmerking komt voor subsidie.
Uit artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling volgt dat subsidie voor een investering voor energiebesparende maatregelen kan worden verleend aan een eigenaar-bewoner voor de aanschaf en het door een bouwbedrijf in een koopwoning laten aanbrengen van isolatiemateriaal. Uit de toelichting bij de Regeling (Staatscourant 2020, 65131) blijkt dat met de installatie door een bouwbedrijf wordt beoogd dat uitsluitend deskundige en vakbekwame bedrijven het bij de isolatiemaatregel horende isolatiemateriaal aanbrengen. Tijdens de zitting heeft de minister nog benadrukt dat hiermee is beoogd te waarborgen dat het isolatiemateriaal op een deskundige manier wordt aangebracht.
[naam 1] stelt dat de kunststof kozijnen en het isolatieglas zijn geproduceerd, geleverd en geplaatst door [naam 3] . Het College stelt echt vast dat de facturen van dit bedrijf die [naam 1] bij zijn aanvraag heeft ingediend, leveringsfacturen zijn. Daaruit blijkt niet dat het isolatieglas ook is geïnstalleerd door dit bedrijf. Dit betekent dat de minister de subsidieaanvraag voor de investering in glasisolatie ook om deze reden moest afwijzen.
In zijn beroepschrift en tijdens de zitting heeft [naam 1] uitgelegd dat de verbouwingswerkzaamheden aan zijn woning zijn uitgevoerd door een aannemer. Omdat [naam 1] zelf ook erg handig is, heeft hij om kosten te besparen wel zelf meegewerkt aan de verbouwing. De werkzaamheden die hij zelf heeft verricht, hebben volgens [naam 1] echter niets te maken met de isolatiemaatregelen waar hij deze subsidie voor heeft aangevraagd.Het isoleren van de gevel en de spouwmuur heeft hij aan de aannemer overgelaten. Het College stelt vast dat de facturen (met bijlagen) van de aannemer die [naam 1] heeft overgelegd zijn stellingen niet onderbouwen. Uit deze stukken valt niet op te maken dat de isolatiewerkzaamheden uitsluitend door de aannemer zijn verricht. Dit betekent dat de minister de subsidieaanvraag voor de investering in gevel- en spouwmuurisolatie ook om deze reden moest afwijzen.
3. Tot slot heeft [naam 1] erop gewezen dat de regelgever de indieningstermijn met ingang van 1 januari 2023 heeft verlengd van 12 naar 24 maanden. Uit de toelichting bij deze wijziging van de Regeling (Staatscourant 2022, 32911) blijkt echter dat de regelgever er daarbij bewust voor heeft gekozen om deze maatregel niet met terugwerkende kracht in te voeren: deze geldt niet voor maatregelen die vóór 1 januari 2022 zijn gerealiseerd. Dit is een politiek-beleidsmatige keuze van de regelgever. Dat de verlengde termijn niet voor de aanvraag van [naam 1] geldt, is daarom naar het oordeel van het College niet in strijd met het evenredigheids- of gelijkheidsbeginsel.
4. Het beroep is ongegrond.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2025.
w.g. H.S.J. Albers w.g. A.A. Dijk