COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juli 2025 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] ( [naam] )
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummer: 23/1109
en
(gemachtigde: mr. E.J.H. Jansen)
Procesverloop
Met het besluit van 21 februari 2023 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van [naam] voor het jaar 2021 voor de basis- en vergroeningsbetaling op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB afgewezen.
Met het besluit van 30 maart 2023 heeft de minister het daartegen door [naam] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 10 juli 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam] en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1. De minister heeft het afwijzingsbesluit genomen, omdat [naam] de controle van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit op zijn bedrijf op 31 augustus 2021 heeft verhinderd. [naam] is het niet eens met dat besluit.
2 [naam] erkent dat hij niet helemaal volgens de regels heeft gehandeld, maar vraagt om coulance. Hij stelt dat hij volledige medewerking heeft verleend aan de controle en dat hij alleen geweigerd heeft om de naam te geven van degene die bij hem peren heeft bespoten. Die persoon had daarvoor geen licentie, maar heeft op verzoek van [naam] gespoten omdat [naam] dat zelf niet kon en in de buurt van zijn bedrijf geen loonspuiter beschikbaar was met smalspoormachines die de werkzaamheden bij hem kon uitvoeren. [naam] wijst erop dat de gemaakte overtreding op slechts 0,4 hectare van zijn bedrijf ziet. Op de andere 4,5 hectare heeft hij wel volgens de regels geteeld, maar hij mist nu voor dat deel ongeveer € 1.800,- aan GLB-betalingen. [naam] vindt het afwijzingsbesluit dan ook buiten proportioneel. Van kwade opzet was geen sprake, maar doordat er geen andere mogelijkheid voor hem was, is hij in deze situatie terecht gekomen.
3 Artikel 59, zevende lid, van Verordening (EU) 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) bepaalt dat indien de begunstigde of zijn vertegenwoordiger de uitvoering van een controle ter plaatse verhindert, de betrokken steun- of betalingsaanvraag wordt afgewezen, behalve in gevallen van overmacht en uitzonderlijke omstandigheden.
4 Het Rapport GWB bedrijfsinspecties land- en tuinbouw van 8 december 2021 vermeldt dat [naam] tijdens de controle op 31 augustus 2021 aan de inspecteurs heeft verteld dat de perenbomen niet werden bespoten. Uit analyse van een bladmonster van een perenboom is gebleken dat daarop wel gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt, vermoedelijk Sevin SL (8786N), Sevin 50 WP (4556N) en Coragen (13555N). Hiermee geconfronteerd heeft [naam] te kennen gegeven dat hij vanwege ziekte inderdaad een bevriende fruitteler twee keer zijn perenbomen heeft laten bespuiten met gewasbeschermingsmiddelen. Omdat die fruitteler dat niet bevoegd heeft gedaan, heeft [naam] de naam van die persoon niet gegeven. Dit had tot gevolg dat de inspecteurs het gebruik van voormelde middelen niet konden vaststellen. En omdat de spuittechniek onbekend is gebleven, is ook onbekend of toegestane middelen volgens de voorschriften zijn toegepast. Uit het voorgaande concludeert het College dat [naam] de uitvoering van een volledige controle heeft verhinderd door niet alle gevraagde informatie te verstrekken aan de inspecteurs. [naam] heeft weliswaar een verklaring gegeven voor zijn handelen, maar dat rechtvaardigt niet de verhindering van de controle van zijn steunaanvraag. Van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden is geen sprake.
5 Omdat artikel 59, zevende lid, van Verordening 1306/2013 dwingend voorschrijft dat de steunaanvraag in een situatie als deze moet worden afgewezen, was de minister gehouden om de aanvraag van [naam] voor de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2021 af te wijzen. Ruimte voor een belangenafweging of coulance is er niet.
6 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. M.P. Glerum en mr. C.T. Aalbers, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2025.
w.g. A. Venekamp w.g. C.S. de Waal