COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[de slachterij] , te [plaats] , de slachterij
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
proces-verbaal uitspraak
zaaknummer: 23/2006
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2025 op het hoger beroep van:
(gemachtigde: F.Th.M. Peters)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 november 2023, kenmerk ROT 22/4476, in het geding tussen de slachterij en
(gemachtigde: mr. M. Kool)
Procesverloop
De slachterij heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 november 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:10027).
De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
De slachterij heeft nadere stukken ingediend.
De zitting was op 13 januari 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen, en namens de slachterij [naam 1] en namens de minister [naam 2] .
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.
Overwegingen
1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.
2 Op 29 september 2021 hebben twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in het kader van de jaarlijkse systeeminspectie vastgesteld dat er in negen ruimtes van het slachthuis sprake was van condensvorming. In vijf ruimten bevonden zich onverpakte of niet afgedekte producten voor menselijke consumptie. De toezichthouders zagen geen druppels vallen. De slachterij heeft deze condens vervolgens met een speciaal daarvoor gemaakte mop verwijderd.
3 Volgens de minister heeft de slachterij hiermee de hygiënevoorschriften van Verordening 854/2004 overtreden. Volgens die voorschriften moet de vorming van condens op oppervlakken worden voorkomen. De minister heeft de slachterij daarom een boete opgelegd van € 5.000,-. Deze boete is in bezwaar gehandhaafd.
4 Volgens de slachterij heeft de rechtbank haar beroep ten onrechte ongegrond verklaard. Zij is het niet eens met overweging 6.1 van de uitspraak van de rechtbank, waarin staat:
“Dat niet is vastgesteld dat condensdruppels daadwerkelijk op het naakte vlees vielen, maakt niet dat verweerder [de minister] van zijn boetebevoegdheid geen gebruik mocht maken.”
Volgens de slachterij blijkt uit een eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:4477, onder 6.3) dat condens niet altijd geheel te voorkomen is, en dat een slachterij dat dan direct moet verwijderen. In dit geval heeft de slachterij dat ook gedaan, door de condens conform het mop-protocol direct te verwijderen. Nu de minister de slachterij niet heeft verweten dat de condens niet onmiddellijk is verwijderd, kan de boete niet in stand blijven.
5 De hogerberoepsgronden van de slachterij slagen niet. De minister heeft er terecht op gewezen dat het betreffende hygiënevoorschrift, dat voortvloeit uit een Europese verordening, een resultaatsverplichting inhoudt (zie de uitspraak van het College van 10 november 2020, ECLI:NL:CBB:2020:809). In dit geval hebben de toezichthouders in negen ruimten condens geconstateerd. In enkele van die ruimten bevond zich onverpakt (‘naakt’) vlees en er werd vocht aangetroffen op met plastic afgedekt vlees.
De minister stelt terecht dat daarmee vaststaat dat de slachterij de condensvorming niet heeft voorkomen. Voor zover uit de bepaling al zou kunnen worden afgeleid dat geen sprake van een overtreding zou zijn indien optredende condens telkens onmiddellijk is verwijderd, geldt dat de minister terecht stelt dat dit hier evident niet is gebeurd, nu er in negen ruimten condensvorming aanwezig was. Dat de slachterij beschikt over een mop-protocol, maakt dit niet anders. Kennelijk leidt toepassing van dat protocol er niet toe dat gedurende de (gehele) dag conform het betreffende voorschrift wordt gehandeld.
6 Het hoger beroep is dus ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van J.R. Willemstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2025.
w.g. D. Brugman w.g. J.R. Willemstein