COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
beslissing op het wrakingsverzoek van
[naam 1] , te [woonplaats] ( [naam 1] )
beslissing
zaaknummers: 22/2598, 23/186, 23/188, 23/189, 23/1394 en 24/810
Procesverloop
[naam 1] heeft een verzoek gedaan om wraking van mr. J.H. de Wildt, die als rechter van het College de zaken met nummers 22/2598, 23/186, 23/188, 23/189, 23/1394 en 24/810 behandelt.
Deze zaken betreffen beroepen van [naam 1] tegen besluiten van de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw) op grond van onder meer de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005.
Met de brieven van 29 september 2025 en 1 oktober 2025 is [naam 1] ervan in kennis gesteld dat mr. De Wildt de bovengenoemde zaken op maandag 27 oktober 2025 om 13.00 uur ter zitting zal behandelen.
Met het e-mailbericht van zondag 12 oktober 2025 heeft [naam 1] het wrakingsverzoek ingediend.
Mr. De Wildt heeft te kennen gegeven dat hij niet in de wraking berust. Met de brief van 15 oktober 2025 heeft mr. De Wildt meegedeeld dat hij afziet van de mogelijkheid om door de wrakingskamer te worden gehoord en heeft hij een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek gegeven.
[naam 1] heeft op 16 oktober 2025 op deze schriftelijke reactie gereageerd.
De zitting was op 21 oktober 2025. De gemachtigde van [naam 1] ( [naam 2] ) is, zoals hij eerder had gemeld, niet verschenen.
Overwegingen
1. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert (de subjectieve toets). Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak, de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn (de objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is hierbij echter niet doorslaggevend.
2 [naam 1] stoelt haar verzoek om wraking in de kern op de grond dat mr. De Wildt zich in de uitspraak van 4 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:62) – met een onjuiste bewijslastverdeling en selectieve motivering – al inhoudelijk heeft vastgelegd op rechtsvragen die in de nu aanhangige zaken opnieuw voorliggen. Volgens [naam 1] roept dit bij een redelijk denkende procespartij de objectieve schijn van vooringenomenheid op. Die schijn is volgens [naam 1] op grond van vaste rechtspraak al voldoende grond voor toewijzing van een wrakingsverzoek.
3 Mr. De Wildt schrijft in zijn reactie op het verzoek om wraking dat het juist is dat hij één van de rechters is die betrokken was bij de uitspraak van 4 februari 2020 en dat daarin de door [naam 1] bedoelde vraag speelde, namelijk wanneer sprake is van teelmateriaal. Deze vraag speelde ook in de uitspraak van 23 augustus 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:562) waar hij eveneens (toen als voorzitter) bij betrokken was. De omstandigheid dat hij bij deze uitspraken betrokken is geweest, is volgens mr. De Wildt echter geen gegronde reden om het wrakingsverzoek toe te wijzen.
4 De wrakingskamer overweegt het volgende.
5 [naam 1] ziet grond voor wraking in de omstandigheid dat mr. De Wildt betrokken was bij een of meer uitspraken waarmee zij het niet eens is over een rechtsvraag die in de nu aanhangige beroepsprocedures in geschil is. Deze grond kan naar het oordeel van de wrakingskamer niet slagen. De onpartijdigheid van een rechter heeft niet reeds te lijden onder de omstandigheid dat die rechter eerder betrokken was bij uitspraken in een zaak waarin [naam 1] partij was en daarbij in het ongelijk is gesteld, of dat de rechter al eerder betrokken was bij uitspraken in een of meer (andere) gedingen over de in geschil zijnde rechtsvraag (zie bijvoorbeeld CRvB 29 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1896).
6 De wrakingskamer is van oordeel dat [naam 1] verder geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van een zwaarwegende aanwijzing dat mr. De Wildt jegens haar een vooringenomenheid koestert of dat bij [naam 1] daartoe een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat.
7 Het verzoek om wraking zal daarom worden afgewezen. De behandeling van de zaken met nummers 22/2598, 23/186, 23/188, 23/189, 23/1394 en 24/810 door mr. J.H. de Wildt als rechter zal worden voortgezet. Deze zaken zullen worden behandeld ter zitting op maandag 27 oktober 2025 om 13.00 uur.
Beslissing
Het College wijst het wrakingsverzoek van 12 oktober 2025 af.
Aldus genomen door mr. A. Venekamp, mr. H.L. van der Beek en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.
w.g. A. Venekamp w.g. C.G.M. van Ede
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.