COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats]
de minister van Klimaat en Groene Groei
uitspraak
zaaknummer: 24/866
en
(gemachtigde: mr. M.J. Schulte)
Procesverloop
Met het besluit van 24 juni 2024 heeft de minister de aanvraag van [naam] om subsidie op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) voor onder meer energiebesparende isolatiemaatregelen gedeeltelijk afgewezen.
Met het besluit van 30 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam] daartegen ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 17 oktober 2025. Aan de zitting hebben [naam] en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1 Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
[naam] heeft op 15 mei 2024 subsidie aangevraagd voor onder meer energiebesparende isolatiemaatregelen in zijn woning.
Met het besluit van 24 juni 2024 heeft de minister de aanvraag van [naam] om subsidie voor dakisolatie afgewezen, omdat deze niet voldoet aan het in artikel 4.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1° van de Regeling opgenomen vereiste dat het bestaande dak in de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd. Met het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing van de subsidieaanvraag voor dakisolatie in stand gelaten.
2 [naam] voert aan dat zijn subsidieaanvraag voor dakisolatie ten onrechte is afgewezen. De omstandigheid dat de dakplaten, die voor het isoleren van het dak zijn gebruikt, subsidiabel zijn gesteld impliceert volgens [naam] dat die zijn toegepast in de bestaande thermische schil. De minister heeft dit overigens ook erkend met zijn opmerking in het bestreden besluit dat voor het toepassen van bepaalde subsidiabele isolatiemaatregelen het noodzakelijk kan zijn om onderdelen zoals dakpannen en dakplaten te verwijderen en indien nodig te vervangen. Anders dan de minister stelt maakt de constructie van het dak geen onderdeel uit van de thermische schil. De gordingen, die voor twee derde deel zijn vervangen, bevinden zich namelijk onder de dakplaten en scheiden de woning niet van de buitenomgeving en maken daarom geen onderdeel uit van de thermische schil. Er is dan ook sprake van een ‘interne’ verbouwing. [naam] betoogt tot slot dat het in het bestreden besluit aangehaalde citaat van de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) inzake de definitie van de thermische schil, namelijk dat deze, kortgezegd, wordt gevormd door bouwkundige constructies die de verwarmde ruimten omhullen en die de woning afscheiden van de buitenomgeving, de bodem of aangrenzende onverwarmde ruimten, niet gedragen wordt door regelgeving en ook niet door de in ISSO 82.1 opgenomen definitieomschrijving.
3 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de subsidieaanvraag van [naam] terecht heeft afgewezen aangezien de gehele dakconstructie verwijderd is geweest en vervangen door een nieuw geïsoleerd dak. Hij merkt in dit verband op dat uit het overzicht bij de factuur van de aannemer blijkt dat de gordingen van het dak zijn vervangen. Bovendien heeft [naam] zelf, zoals blijkt uit een telefoonnotitie, tijdens een telefonisch onderhoud met een RVO-medewerker op 11 juni 2024 bevestigd dat, behoudens die van de bijkeuken en de garage, alle gordingen en balken zijn verwijderd. Omdat hiermee het dak is vernieuwd kunnen het dak en de thermische schil niet meer als bestaand worden aangemerkt. Daarom is niet voldaan aan het vereiste van artikel 4.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1° van de Regeling dat de dakisolatie is aangebracht in het bestaande dak in de bestaande thermische schil. Dit is door het College bevestigd in de uitspraken van 9 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:10), 10 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:37) en 13 augustus 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:557).
4 Aan de orde is de vraag of de minister de subsidieaanvraag van [naam] voor dakisolatie terecht heeft afgewezen. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend. Hieronder legt het College uit waarom.
5 Artikel 4.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1° van de Regeling bepaalt, voor zover hier relevant, dat subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar-bewoner voor de aanschaf en het laten aanbrengen van isolatiemateriaal in het bestaande dak in de bestaande thermische schil van een woning. Met de wijziging van artikel 4.5.1 (begripsomschrijving) van de Regeling is geëxpliciteerd dat met de ‘thermische schil’ wordt bedoeld de thermische schil die in ISSO 82.1 is beschreven (Staatscourant 2022, 32911, blz. 1). Volgens de toelichting bij de Regeling wordt de thermische schil gevormd door de bouwkundige constructies die de woning omhullen en die niet grenzen aan een verwarmde ruimte. Dit zijn dus constructies die de woning afscheiden van de buitenomgeving (bijvoorbeeld buitenlucht, water, grond) of aangrenzende onverwarmde ruimten (Staatscourant 2020, 65131, blz. 22).
6 Het College volgt de minister in zijn standpunt dat de gordingen, die de dakconstructie vormen, behoren tot de thermische schil van het dak. Met het vervangen van de gordingen is de oorspronkelijke dakconstructie grotendeels verwijderd en opnieuw opgebouwd. Door de vernieuwing van niet alleen de dakbedekking maar ook de dakconstructie zijn het dak en daarmee de thermische schil niet meer als bestaand aan te merken. Hiermee wordt niet voldaan aan het vereiste dat het isolatiemateriaal is aangebracht in het bestaande dak in de bestaande thermische schil van de woning. Dat, zoals de minister op de zitting heeft toegelicht, het voor het aanbrengen van bepaalde isolatiematerialen noodzakelijk kan zijn om dakplaten en dakpannen te vervangen, maak dat niet anders. In dit geval is immers niet alleen de dakbedekking (dakplaten en dakpannen) vervangen, maar ook de dakconstructie.
7 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. H. Caglayankaya, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.
w.g. M. van Duuren w.g. H. Caglayankaya