COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats] (onderneming)
de minister van Economische Zaken
uitspraak
zaaknummer: 22/250
en
(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman)
Procesverloop
Met het besluit van 1 september 2021 heeft de minister de subsidie van de onderneming op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) vastgesteld op € 37.499,70 en een teveel betaald voorschot van € 74.999,30 teruggevorderd.
Met het besluit van 24 december 2021 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Op 7 februari 2023 is het faillissement van de onderneming uitgesproken. Op 7 maart 2024 heeft de curator van de onderneming, mr. [naam 2] , aan het College bericht dat zij de procedure niet overneemt.
Op 6 mei 2024 heeft het College de minister in de gelegenheid gesteld om ontslag van instantie te verzoeken.
Op 15 mei 2024 heeft de minister verzocht om ontslag van instantie wegens faillissement van de onderneming.
Op 27 januari 2025 heeft de griffier aan de directeur van de onderneming eerst telefonisch en daarna schriftelijk verzocht om aan te geven of hij de procedure wenst voort te zetten en welk belang hij daarbij heeft. Daarop heeft het College geen reactie meer ontvangen.
Op 13 november 2025 heeft het College het onderzoek gesloten en partijen daarvan schriftelijk op de hoogte gesteld.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:22, eerste lid, van de Awb is in geval van faillissement artikel 27 van de Faillissementswet (Fw) van overeenkomstige toepassing. Artikel 27, eerste lid, van de Fw bepaalt dat indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar ingesteld is, het geding ten verzoeke van de gedaagde geschorst wordt, teneinde deze gelegenheid te geven, binnen een door de rechter te bepalen termijn, de curator tot overneming van het geding op te roepen.
2 De curator heeft het College bericht dat zij de procedure van de onderneming niet wenst over te nemen. De minister heeft vervolgens op grond van artikel 27, tweede lid, van de Fw om ontslag van instantie verzocht.
3 Ter beoordeling ligt voor of het verzoek van de minister om ontslag van instantie te verlenen kan worden toegewezen.
4 Het College weegt in dat verband het belang van de minister bij ontslag van instantie af tegen het belang van de onderneming bij het verkrijgen van een beslissing op het aan het College voorgelegde materiële geschil. Als het verzoek wordt gehonoreerd, volgt niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van de onderneming. Een niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege als is gebleken van (gegronde) redenen om de procedure voort te zetten.
5 Nu de curator heeft bericht dat zij de procedure niet wenst over te nemen en de onderneming niet kenbaar heeft gemaakt waarom zij belang heeft bij het verkrijgen van een beslissing op het geschil, is het College niet gebleken van redenen de procedure voort te zetten. Daarom wijst het College het verzoek van de minister om ontslag van instantie toe. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is.
6 Het beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. T.D. Geldof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.
w.g. B. Bastein w.g. T.D. Geldof