COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1], te [woonplaats] (verzoeker)
[naam 2] (trust)
[naam 3] (trustee)
Kamer van Koophandel, verweerster
uitspraak
zaaknummers: 25/785
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 december 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
(gemachtigde: [naam 1])
(gemachtigde: [naam 1])
en
(gemachtigde: mr. J.P. van der Ende)
Procesverloop
Op 25 mei 2025 heeft verzoeker opgave gedaan van inschrijving in het UBO-register trusts
van de trust “[naam 2]”. Daarbij zijn als Ultimate Beneficial
Owner (UBO) opgegeven: verzoeker en [naam 4] ([naam 4]). Bij afzonderlijke brieven
van 25 mei 2025 zijn verzoeker en [naam 4] hierover geïnformeerd.
[naam 4] heeft tegen deze registratie bezwaar gemaakt.
Op 15 september 2025 heeft verzoeker de registratie van de trust beëindigd.
Bij besluit van 18 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van [naam 4] gegrond verklaard.
Verzoeker tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2025.
[naam 1] is verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Overwegingen
Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter gaat er vooralsnog van uit dat [naam 4], ondanks de uitschrijving van de registratie van de trust op 15 september 2025, belang had bij een beoordeling van de rechtmatigheid van die registratie. In het verlengde daarvan heeft verzoeker belang bij het beroep tegen het bestreden besluit dat aan het verzoek om een voorlopige voorziening ten grondslag ligt.
De voorzieningenrechter ziet echter geen aanleiding om in dit geval een voorlopige voorziening te treffen omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Hieronder licht de voorzieningenrechter dit toe.
Geen spoedeisend belang
Verzoeker vraagt in zijn verzoek om “schorsing van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dit kwalificerende passages over bestaan/vermogen van de trust” bevat. Ook vraagt verzoeker dat verweerster de opdracht krijgt “om gedurende de schorsing geen distributie/consultatie van deze passages via uittreksel of derdenkanalen toe te staan en een neutrale registratiestatus te voren, alsmede heropening horen met registratie scope-afbakening.”
De voorzieningenrechter stelt vast dat hetgeen verzoeker als rechtsgevolgen van het bestreden besluit duidt, niet de rechtsgevolgen zijn maar overwegingen die (onder andere) aan het besluit ten grondslag liggen. Ter zitting is gebleken dat het verzoek is gebaseerd op de aanname van verzoeker dat in het UBO-register trusts of uittreksels daaruit, de inhoud van het bestreden besluit zichtbaar zou zijn. Verweerster heeft verklaard dat dat niet het geval is. Vervolgens heeft verzoeker ter zitting opgemerkt dat zijn zorgen dan weggenomen zijn.
De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat, voor zover al moet worden aangenomen dat de gevraagde voorziening toewijsbaar is, er geen sprake is van een spoedeisend belang. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.
w.g. M. van Duuren w.g. P.M. Beishuizen