COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaken tussen
[naam] , te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college van b en w)
uitspraak
zaaknummer: 24/799
(gemachtigde: mr. M.L. Koper)
en
(gemachtigde: mr. M. ten Doesschate)
Procesverloop
Met het besluit van 23 april 2024 heeft het college van b en w aan [naam] een last onder dwangsom opgelegd voor iedere keer dat hij artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012 (Taxiverordening) overtreedt.
Met het besluit van 5 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het college van b en w het daartegen door [naam] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college van b en w heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 23 oktober 2025. Daarbij waren de gemachtigden van partijen aanwezig.
Overwegingen
[naam] is taxichauffeur. Hij werkt vooral in Hoofddorp. Hij neemt ritten aan in Amsterdam als hij van Hoofddorp naar Amsterdam of terug rijdt. Hij heeft geen vergunning voor het mogen verrichten van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt (Taxxxivergunning).
Tijdens een controle op 10 april 2024 heeft een toezichthouder gezien dat [naam] met zijn taxi enige tijd stilstond op de Nieuwezijds Voorburgwal 7, op de valet-parkeerplaats voor het De Witt Hotel. Die parkeerplaats is bij die toezichthouder ambtshalve bekend als illegale opstaplocatie. [naam] verklaarde tegenover de toezichthouder dat hij net klanten had afgezet maar dat hij dat niet kon aantonen, omdat hij net een rit binnenkreeg op zijn mobiel. De toezichthouder heeft geen klanten gezien. Hij heeft een rapport van bevindingen opgemaakt.
Naar aanleiding van dat rapport heeft het college van b en w [naam] met een brief laten weten dat het van plan is een last onder dwangsom op te leggen omdat [naam] op 10 april 2024 zonder Taxxxivergunning taxivervoer heeft aangeboden op de Amsterdamse opstapmarkt. Dat is op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening verboden. [naam] is in de gelegenheid gesteld om een reactie te geven, maar heeft dat niet gedaan.
2 Het college van b en w heeft met de besluiten aan [naam] een last onder dwangsom opgelegd van € 5.550,- voor elke volgende keer dat hij dat hij taxivervoer op de opstapmarkt in Amsterdam aanbiedt zonder Taxxxivergunning, met een maximum van € 27.750,-. Dit om te voorkomen dat hij opnieuw taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt zonder Taxxxivergunning.
[naam] betwist dat hij op 10 april 2024 in Amsterdam taxivervoer op de opstapmarkt heeft aangeboden. Tijdens de zitting van het College heeft hij het eerder door hem ingenomen standpunt verlaten dat hij op de valet-parkeerplaats aan de Nieuwezijds Voorburgwal 7 stond omdat hij daar klanten had afgezet. Hij heeft wel zijn standpunt gehandhaafd dat hij daar stond omdat hij een nieuwe rit kreeg via de Uber app en hij de klanten ging bellen om te zeggen waar ze hem konden vinden. Die klanten hebben de rit meteen geannuleerd omdat hij niet snel genoeg reageerde omdat de toezichthouder naar hem toe kwam. De toezichthouder heeft niet gevraagd naar de bestelde rit maar naar de voltooide rit. Hij heeft er niet aan gedacht om aan de toezichthouder op zijn telefoon te laten zien dat hij net via Uber besteld was. Dat heeft hij pas in bezwaar gedaan met screen prints. Hij heeft hooguit vier minuten op de parkeerplaats gestaan om klanten op te halen, wat als 'onmiddellijk' moet worden beschouwd.
[naam] stelt subsidiair dat het opleggen van de last een te zware sanctie is en dat de dwangsom te hoog is. Hij kent de regels en is niet eerder in aanraking gekomen met politie, justitie of de gemeente in het kader van zijn beroep als taxichauffeur. Het is nooit zijn bedoeling geweest om illegaal taxivervoer aan te bieden. Een waarschuwing zou passend zijn geweest. Als een last onder dwangsom noodzakelijk wordt geacht, dan had volstaan kunnen worden met een lagere dwangsom. De hoogte van de opgelegde dwangsom staat niet in redelijke verhouding tot de zwaarte van het door de overtreding geschonden belang.
Het college van b en w heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Beoordeling
De Taxiverordening vindt haar wettelijke grondslag in artikel 82b van de Wet personenvervoer 2000 (Wp 2000). Op grond van artikel 82c van de Wp 2000 en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is het college van b en w bevoegd tot handhaving van de in de Taxiverordening gestelde verplichtingen door oplegging van een last onder dwangsom.
Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening is het verboden om zonder geldige Taxxxivergunning op de in bijlage 1 van de Taxiverordening aangegeven delen van de openbare weg taxivervoer aan te bieden, waaronder het gebied binnen de ring A10 van Amsterdam. De locatie waar het in deze zaak om gaat, de Nieuwezijds Voorburgwal, ligt in dat gebied.
Een bestuursorgaan mag, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend rapport van bevindingen, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
Eerst moet de vraag worden beantwoord of het college van b en w zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [naam] , die geen Taxxxivergunning heeft, op 10 april 2024 in Amsterdam taxivervoer op de opstapmarkt heeft aangeboden. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Het is vaste rechtspraak van het College (zie onder meer de uitspraak van 15 augustus 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:414, onder 7.3)) dat indien een taxichauffeur zonder geldige Taxxxivergunning met een als taxi herkenbare auto stilstaat op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekendstaande plaats, zonder dat hij op dat moment bezig is met het ophalen (laden) of afzetten (lossen) van klanten die bij hem een taxirit hebben besteld, dat de conclusie rechtvaardigt dat hij daar taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt. Deze aanname kan door de taxichauffeur slechts worden weerlegd door aannemelijk te maken dat hij daar staat ter uitvoering van een bij hem bestelde taxirit of als gevolg van overmacht. De taxichauffeur die op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekendstaande plaats staat, zonder bezig te zijn met een bestelde taxirit, riskeert dan ook niet alleen een boete voor verkeerd parkeren of stilstaan op een plaats waar dat niet mag, maar ook dat hem een last onder dwangsom wordt opgelegd. Illegale opstapplaatsen voor taxi’s zijn in ieder geval de weggedeeltes waar niet geparkeerd mag worden, zoals laad- en losplaatsen, in het hele centrum van Amsterdam en vierentwintig uur per dag, bijvoorbeeld in de buurt van het Centraal Station of hotels. Vergelijk de uitspraak van het College van 15 maart 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:114 onder 6.4). Weggedeeltes in het centrum van Amsterdam waar volgens het college van b en w geparkeerd mag worden zijn schaars en vooral betaalde parkeerplaatsen. Het College begrijpt dat hierdoor de mogelijkheden voor de bestel- en belmarkt in dit gebied beperkt zijn, maar het is aan de taxichauffeurs om daar rekening mee te houden.
Het College volgt het college van b en w in zijn ter zitting aangevoerde standpunt dat de valet-parkeerplaats waar [naam] stond, een soort laad- en losstrook, een deel van de openbare weg is waar niet geparkeerd mag worden. [naam] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij daar hooguit vier minuten stond ter uitvoering van een bij hem bestelde rit, toen de toezichthouder hem aansprak, zoals hij stelt. Op de in bezwaar door hem overgelegde screen print, een soort anonieme factuur, is het tijdstip 13.16 uur en het bedrag € 0,00 vermeld en is te lezen ‘Passagier heeft geannuleerd’. Op de print is twee keer het adres Nieuwezijds Voorburgwal 277 vermeld, zonder datum. Als al aangenomen kan worden dat de screen print betrekking heeft op de datum 10 april 2024 en op een via Uber bij [naam] bestelde en geannuleerde rit vanaf het adres Nieuwezijds Voorburgwal 277, geldt het volgende. Het college van b en w stelt en [naam] betwist niet dat een bij Uber bestelde rit alleen binnen twee minuten kosteloos kan worden geannuleerd. Uit de website van Uber blijkt dat die stelling juist is. Uit de print volgt dat de beweerdelijke rit om 13.16 uur is of al was geannuleerd. Volgens het rapport van bevindingen heeft de toezichthouder [naam] om 13:20 uur op de valet-parkeerplaats aangesproken. [naam] stond daar toen dus ten minste 4 minuten en niet (meer) voor de betreffende klanten. Daar komt nog bij dat de beweerdelijke rit niet is besteld op het adres Nieuwezijds Voorburgwal 7 waar [naam] stond, maar op het adres Nieuwezijds Voorburgwal 277. Het college van b en w heeft mogen aannemen dat [naam] daar toen zonder Taxxxivergunning taxivervoer op de opstapmarkt in Amsterdam stond aan te bieden.
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of het college van b en w daarvoor de in geding zijnde last onder dwangsom van € 5.550,- per overtreding met een maximum van € 27.750,- heeft mogen opleggen. Het College beantwoordt ook deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Het college van b en w was op grond van artikel 82c van de Wp 2000 en artikel 5:32, eerste lid, van de Awb, bevoegd om aan [naam] voor het overtreden van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening een last onder dwangsom op te leggen. Het college van b en w heeft daarbij toepassing heeft gegeven aan zijn handhavingsbeleid, het Handhavingsbeleid Taxi 2019 gemeente Amsterdam. Daaruit volg dat voor het overtreden van artikel 2.3, eerste lid van de Taxiverordening een last onder dwangsom wordt opgelegd waarbij de hoogte van de dwangsom is gebaseerd op (a) de kosten die de taxichauffeur jaarlijks bespaart door niet verplicht aangesloten te zijn bij een TTO, te weten € 2.700, en (b) de leges die hij bespaart door geen Taxxxivergunning te hebben. De dwangsom per overtreding wordt dan berekend door de bedragen onder a en b bij elkaar op te tellen en te vermenigvuldigen met twee, tot een maximum van vijf maal dit dwangsombedrag. Niet is in geschil dat de bedragen in de in het bestreden besluit vermelde last onder dwangsom volgens dit beleid zijn berekend.
Het College acht de last onder dwangsom niet onevenredig. [naam] heeft het zelf in de hand om te voorkomen dat hij op grond van die last een dwangsom verbeurt, door in Amsterdam geen taxivervoer op de opstapmarkt zonder Taxxxivergunning aan te bieden of te verrichten. Hij kan een jaar na het besluit, als er geen dwangsom is verbeurd, het college van b en w om opheffing van de last onder dwangsom verzoeken. Dat laatste volgt uit artikel 5:34, tweede lid, van de Awb.
Het beroep is ongegrond.
Het college van b en w hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.
w.g. M. van Duuren w.g. J.W.E. Pinckaers