uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 25/873 en 25/874
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 december 2025 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen
1. [naam 1] , te [plaats] , verzoekster ( [naam 1] )
(gemachtigden: mr. E. Dirkse, mr. S.A. Gawronski en mr. G. Baloolal)
2. [naam 2] , te [plaats] , verzoekster (de vervoersmanager)
(gemachtigden: mr. E. Dirkse, mr. S.A. Gawronski en mr. G. Baloolal)
en
de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO)
(gemachtigde: mr. R.J. Maassen, mr. W.S. Tse en A. Linger)
Procesverloop
Met het besluit van 3 november 2025 (het schorsingsbesluit) heeft NIWO de aan [naam 1] verleende communautaire vergunning voor beroepsgoederenvervoer over de weg voor zes maanden geschorst (25/873).
Met het besluit van 3 november 2025 (het ongeschiktheidsbesluit) heeft NIWO de vervoersmanager ongeschikt verklaard (25/874).
[naam 1] en de vervoersmanager hebben tegen het schorsingsbesluit en het ongeschiktheidsbesluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.
Met de uitspraak van 4 november 2025 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel de verzoeken om een voorlopige voorziening toegewezen, de schorsing van de communautaire vergunning geschorst en het besluit tot ongeschikt verklaren van de vervoersmanager geschorst totdat een uitspraak is gedaan op de verzoeken om voorlopige voorziening.
NIWO heeft een schriftelijke reactie ingediend.
[naam 1] en de vervoersmanager hebben nadere stukken ingediend.
De zitting was op 27 november 2025. Aan de zitting heeft namens [naam 1] en de vervoersmanager [naam 2] deelgenomen, bijgestaan door de gemachtigden S.A. Gawronski en G. Baloolal. Namens NIWO hebben de gemachtigden deelgenomen.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
Deze zaak gaat over de vraag of de voorzieningenrechter van het College een voorlopige voorziening moet treffen door te bepalen dat de tenuitvoerlegging van de door NIWO genomen bestreden besluiten wordt geschorst. [naam 1] wil daarmee bereiken dat zij gebruik kan blijven maken van de communautaire vergunning, dat wil zeggen dat zij door kan gaan met het goederenvervoer over de weg. Ook wil zij daarmee bereiken dat [naam 2] als vervoersmanager van de onderneming kan blijven functioneren.
Op grond van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt het College in de (eventuele) bodemprocedure(s) niet.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [naam 1] en de vervoersmanager de aanwezigheid van een spoedeisend belang aannemelijk hebben gemaakt.
Het wettelijk kader is beschreven in de bijlage bij deze uitspraak.
Totstandkoming van de bestreden besluiten
[naam 1] exploiteert een transportbedrijf. Op 28 september 2022 is aan haar een communautaire vergunning verleend met 81 vergunningsbewijzen. [naam 1] is actief in de kippertransport voor de grond-, weg- en waterbouw. De chauffeurs leveren in opdracht van aannemers grondstoffen voor onder andere de aanleg van snelwegen. Als vervoersmanager van de onderneming is [naam 2] aangesteld.
NIWO heeft op 24 februari 2025 adviesrapporten ontvangen van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, opgesteld door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). In die rapporten trekt de ILT een conclusie over de betrouwbaarheid van [naam 1] en de vervoersmanager en zij adviseert NIWO over de consequenties daarvan. NIWO moet de adviesrapporten beoordelen en na een zienswijzeprocedure besluiten nemen.
Uit de adviesrapporten volgt dat de ILT aan [naam 1] 93 strafpunten heeft toegerekend in het nationaal elektronisch sanctieregister (ERRU-register). Deze strafpunten zijn het gevolg van onherroepelijke veroordelingen en/of sancties. De toegekende strafpunten zijn meer dan de grenswaarde zodat de ILT een betrouwbaarheidsonderzoek heeft ingesteld. De ILT concludeert dat het verlies van betrouwbaarheid van [naam 1] en de vervoersmanager evenredige sancties zijn. De ILT stelt daarnaast vast dat [naam 1] en de vervoersmanager niet hebben aangetoond dat door de getroffen maatregelen ter preventie van nieuwe overtredingen sprake is van een structurele verbetering. Binnen de onderneming is volgens de ILT weinig tot geen sprake van naleving van de rij- en rusttijden.
NIWO heeft de adviesrapporten onderzocht en geconcludeerd dat het onderzoek van de ILT zorgvuldig is geweest en dat de door de ILT voorgestelde sancties evenredig zijn. NIWO heeft daarom op 18 juni 2025 een voornemen tot schorsing van de communautaire vergunning verzonden alsmede een voornemen tot ongeschikt verklaren van de vervoersmanager. Door [naam 1] en de vervoersmanager is een zienswijze ingediend. Samengevat hebben zij zich op het standpunt gesteld dat de consequenties van de overtredingen niet voorzienbaar waren ten tijde van het begaan van de overtredingen, dat aan de betrouwbaarheidseis is voldaan omdat maatregelen zijn getroffen en dat de voorgenomen sancties door het tijdsverloop tussen de overtreding en de sanctie en het ontbreken van een herstelmogelijkheid niet evenredig zijn. Dat inmiddels sprake is van minder overtredingen betwist NIWO niet, maar er is geen sprake van een structurele verbetering tot een niveau waarop niet opnieuw sprake is van verlies van betrouwbaarheid. Met de besluiten van 3 november 2025 heeft NIWO besloten tot schorsing van de communautaire vergunning en ongeschikt verklaren van de vervoersmanager.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3 [naam 1] en de vervoersmanager voeren onder meer aan dat op het moment van het begaan van de overtredingen in november 2020 en ten tijde van de inspectie door de ILT op locatie in februari 2021 voor hun de gevolgen van de overtredingen niet voorzienbaar waren. Uit de op dat moment geldende Beleidsregel evenredigheidstoets en sanctionering bij verlies betrouwbaarheid in het goederenvervoer over de weg (Beleidsregel ERRU) zouden de begane overtredingen niet hebben geleid tot een strafpunt in het ERRU-sanctieregister, aldus [naam 1] en de vervoersmanager. Volgens [naam 1] en de vervoersmanager zijn de schorsing van de communautaire vergunning en de ongeschiktheidsverklaring van de vervoersmanager, welke een direct gevolg zijn van de toerekening van strafpunten, in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
4 Door NIWO is op de zitting het standpunt ingenomen dat [naam 1] en de vervoersmanager deze beroepsgrond in deze procedure niet kunnen aanvoeren. Volgens NIWO hadden zij dit moeten aanvoeren in een procedure gericht tegen de beslissing om strafpunten op te leggen. Deze strafpunten zijn uiteindelijk onherroepelijk geworden op 9 april 2024. Deze beslissing is door NIWO niet aan het dossier gevoegd omdat de stukken zien op het voortraject bij de ILT en voor deze procedure niet van belang zouden zijn. Door [naam 1] en de vervoersmanager is ter zitting het bestaan van een dergelijke beslissing betwist. Zij stellen enkel boetebeschikkingen te hebben ontvangen op 20 februari 2024. In die boetebeschikkingen staat niets vermeld over de toekenning van strafpunten. Vervolgens heeft [naam 1] op 29 november 2024 een brief ontvangen waarin wordt medegedeeld dat de veroordeling of sanctie definitief is geworden en dat aan de overtredingen strafpunten zijn toegekend in het ERRU-register. Deze brief is onderdeel van het dossier in deze procedure en bevat geen bezwaarclausule. Op 17 december 2024 ontvangt [naam 1] vervolgens een brief met een aankondiging van de start van een betrouwbaarheidsonderzoek. [naam 1] en de vervoersmanager betwisten dus het bovengenoemde standpunt van NIWO en stellen dat de voorzienbaarheid van het krijgen van strafpunten voor deze overtredingen en de gevolgen daarvan wel degelijk in deze procedure aan de orde moet komen.
5 De voorzieningenrechter stelt vast dat op de zitting door NIWO geen appellabel besluit kon worden overgelegd over de toekenning van strafpunten. Het is voor de voorzieningenrechter daarom niet duidelijk of de registratie van de strafpunten na een dergelijk besluit onherroepelijk is geworden. Daarom ontbreekt er ook duidelijkheid over het antwoord op de vraag in hoeverre [naam 1] en de vervoersmanager in een andere procedure de voorzienbaarheid van de gevolgen van deze overtredingen aan de orde hadden kunnen stellen. Duidelijkheid hierover is wel nodig om een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te kunnen geven in deze procedure. Door NIWO is op zitting toegelicht dat, mede doordat het voortraject zich heeft afgespeeld bij de ILT, zij op dat moment geen nadere duidelijkheid kan verschaffen. NIWO stelt zich dan ook op het standpunt dat vanwege het ontbreken van duidelijkheid over het voortraject het schorsen van de bestreden besluiten op zijn plaats is. Aan een bespreking van de overige gronden uit de verzoeken om een voorlopig voorziening komt de voorzieningenrechter niet toe. De voorzieningenrechter handhaaft daarom de reeds in de ordemaatregel getroffen schorsing van de bestreden besluiten.
De voorzieningenrechter stelt voor dat NIWO in het bezwaarschriftentraject tevens aandacht besteed aan de voornoemde kwestie in het licht van de op het moment van overtreding geldende Beleidsregel ERRU.
6 De voorzieningenrechter veroordeelt NIWO in de door [naam 1] en de vervoersmanager gemaakte proceskosten. Deze stelt hij op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). NIWO moet het door [naam 1] en de vervoersmanager betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
handhaaft de schorsing van het schorsingsbesluit en ongeschiktheidsbesluit tot zes weken nadat NIWO op de bezwaren daartegen heeft beslist;
draagt NIWO op het betaalde griffierecht van € 770,- (2 x € 385,-) aan [naam 1] en de vervoersmanager te vergoeden;
veroordeelt NIWO in de proceskosten van [naam 1] en de vervoersmanager tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. L. van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Bijlage
Wettelijk kader
Betrouwbaarheidseis
Op grond van artikel 3, eerste lid, onder b, van Verordening 1071/2009 moeten ondernemingen die het beroep van wegvervoerondernemer uitoefenen betrouwbaar zijn. In artikel 6 van Verordening 1071/2009 staan de voorwaarden betreffende de betrouwbaarheidseis. Op grond van het eerste lid, onder b, van dat artikel omvatten die voorwaarden ten minste dat jegens de vervoersmanager of de vervoersonderneming niet in één of meer lidstaten een veroordeling voor een ernstig strafbaar feit is uitgesproken of een sanctie wegens ernstige inbreuken op de communautaire wetgeving opgelegd. Het gaat dan onder andere ook, blijkens het eerste lid, onder b, onder i, om de rij- en rusttijden van de bestuurders, de arbeidstijd en de installatie of het gebruik van controleapparatuur.
Vervoersmanager
Op grond van artikel 4, eerste lid, van Verordening 1071/2009 wijst een onderneming die het beroep van wegvervoerondernemer uitoefent ten minste één natuurlijk persoon aan, de vervoersmanager die voldoet aan de in de Verordening gestelde eisen. Op grond van datzelfde lid moet de vervoersmanager onder andere een reële band hebben met de onderneming. In artikel 13, eerste lid, van de Beleidsregel ERRU staat dat bij verlies van betrouwbaarheid NIWO de vervoersmanager voor de duur van twee jaar ongeschikt kan verklaren.
ERRU-register
In artikel 16 van Verordening 1071/2009 staat dat met het oog op de uitvoering van de verordening elke lidstaat een nationaal elektronisch register moet bijhouden van de wegvervoerondernemingen die van de bevoegde instantie een vergunning hebben gekregen voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerder. Uit datzelfde artikel volgt dat in dat register onder andere wordt opgenomen het aantal, de categorie en het type ernstige inbreuken, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, van de Verordening 1071/2009 die de afgelopen twee jaar hebben geleid tot een veroordeling of sanctie. Dit register van sancties is onderdeel van het European Register of Road Transport Undertakings (ERRU). Op grond van artikel 6, tweede lid, onder b, van Verordening 1071/2009 moet de Europese Commissie een lijst opstellen van categorieën en soorten ernstige inbreuken, die naast de in Verordening 1071/2009 genoemde inbreuken kunnen leiden tot verlies van de betrouwbaarheidsstatus van de vervoersonderneming of de vervoersmanager. Met Verordening 2016/403 heeft de Europese Commissie aan deze opdracht uitvoering gegeven. In Nederland is de Beleidsregel ERRU in werking getreden. De ILT houdt het ERRU-sanctieregister bij. Uit artikel 4, vijfde lid, van de Beleidsregel ERRU volgt dat overschrijding van de grenswaarden van het aantal strafpunten kan leiden tot verlies van betrouwbaarheid.
Mogelijkheid tot herstel
In artikel 5 van de Beleidsregel ERRU staat dat de ILT de vervoerder en de vervoersmanager een schriftelijke kennisgeving zendt bij elke eerste registratie van strafpunten en nadat ten minste 50% van de grenswaarde van het aantal strafpunten is overschreden. Hiermee wordt de onderneming de mogelijkheid geboden tot herstel zonder verlies van betrouwbaarheid. Uit randnummer 12 van Verordening 1071/2009 volgt ook dat in geval van schorsing of ongeschikt verklaren van de vervoersmanager de onderneming vooraf moet worden gewaarschuwd en een redelijke termijn moet krijgen om de situatie te herstellen, voordat haar een dergelijke sanctie wordt opgelegd.
Schorsing van de vergunning en ongeschikt verklaren van de vervoersmanager
Uit artikel 13, eerste lid, onder a, van Verordening 1071/2009 volgt dat de bevoegde instantie een termijn kan verlenen waarbinnen de situatie (van niet voldoen aan één of meer van de vereisten) wordt gereguleerd. Die termijn bedraagt zes maanden waarin een vervanger moet worden aangeworven voor de vervoersmanager, indien de vervoersmanager niet langer voldoet aan de vereisten inzake betrouwbaarheid en vakbekwaamheid. Uit artikel 6, tweede lid, van de Beleidsregel ERRU volgt dat verlies van betrouwbaarheid in beginsel geen onevenredig strenge sanctie is indien de vervoerder of vervoersmanager de grenswaarde van het aantal toegerekende strafpunten heeft overschreden. In artikel 2.8a van de Wet wegvervoer goederen wordt uitgewerkt wanneer een vervoerder zijn betrouwbaarheid verliest. In artikel 7 van de Beleidsregel ERRU is vervolgens uitgewerkt in welke gevallen de ILT concludeert dat het verlies van betrouwbaarheid van de vervoerder al dan niet een onevenredig strenge sanctie is. Voor het verlies van betrouwbaarheid van de vervoersmanager staat dit beschreven in artikel 8 van de Beleidsregel ERRU. In artikel 9 van de Beleidsregel ERRU staat beschreven hoe NIWO op grond van het adviesrapport van de ILT tot een besluit moet komen. Op grond van artikel 10 van de Beleidsregel ERRU moet NIWO beoordelen of een voorgenomen besluit evenredig is.