COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
de vereniging MEER GGZ, te Giessen, (MEER GGZ)
de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa),
uitspraak
zaaknummer: 25/891
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 december 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
(gemachtigden: mr. drs. J.J. Rijken en mr. C.H.J. Habraken)
en
(gemachtigde: mr. F.J.H. van Tienen)
Procesverloop
Met de tariefbeschikking van 14 juli 2025 heeft de NZa prestaties en bijbehorende tarieven voor de geestelijke gezondheidszorg (ggz) en de forensische zorg (fz) vastgesteld voor het jaar 2026. Deze tariefbeschikking is daarna een aantal keren vervangen, laatstelijk door versie TB/REG-26628-04, en wordt hierna aangeduid als tariefbeschikking 2026.
MEER GGZ is een belangenvereniging voor ambulante ggz-instellingen voor volwassenen, kinderen en jeugdigen. Zij treedt op namens die instellingen en heeft tegen de tariefbeschikking 2026 bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De NZa heeft een reactie op het verzoekschrift ingediend. Daarop heeft MEER GGZ met een brief van 4 december 2025 gereageerd.
De zitting was op 8 december 2025. Aan de zitting hebben de gemachtigden deelgenomen, namens MEER GGZ [naam] en namens de NZa mr. drs. T.L.F. Urlings.
Overwegingen
Samenvatting
1 Deze zaak gaat over de nieuwe tarieven voor de ggz en de fz voor het jaar 2026. Deze tarieven zijn tot stand gekomen nadat de NZa een kostprijsonderzoek heeft verricht over het jaar 2023. Volgens MEER GGZ heeft de NZa de tarieven voor 2026 7,1% te laag vastgesteld. Dat komt volgens MEER GGZ doordat de NZa bij de vaststelling van de tarieven onvoldoende rekening heeft gehouden met de loonkostenontwikkelingen in de ggz. De tarieven zijn daardoor niet kostendekkend. Dit volgt volgens MEER GGZ uit een door bureau Deloitte Consultative Services (Deloitte) opgesteld rapport.
De NZa heeft aangevoerd dat er het door Deloitte uitgevoerde onderzoek zodanig veel fouten en onjuiste aannames bevat, dat de resultaten daarvan niet kloppen.
De voorzieningenrechter is het met de NZa eens dat het rapport van Deloitte fouten en onjuiste aannames bevat en ziet in het betoog van de zorgaanbieders daarom geen aanleiding om de tariefbeschikking 2026 te schorsen.
Inleiding
Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, als voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van de tariefbeschikking 2026, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
Spoedeisend belang
MEER GGZ stelt dat uit het onderzoek van Deloitte volgt dat de voor 2026 vastgestelde tarieven voor de consulten in de ambulante settings 2 en 3 een reële daling laten zien van 9,9% ten opzichte van de tarieven in 2025. De netto bedrijfsresultaten van haar individuele leden, die in 2023 gemiddeld +2% waren, zullen door de nieuwe tarieven dalen naar gemiddeld -6,1%. Dit zal in 2026 leiden tot grote continuïteitsproblemen. Haar leden zullen in 2026 immers structureel verlies draaien. Zij zullen hun eigen financiële middelen moeten aanwenden om die verliezen op te vangen, welke oplossing slechts tijdelijk soelaas kan bieden. De leden van MEER GGZ zijn voor hun bedrijfsresultaten in grote mate afhankelijk van de tarieven die de NZa heeft vastgesteld. Zij hebben geen of nauwelijks mogelijkheden om hun inkomsten te vergroten door het bedrijfsaanbod of de bedrijfsactiviteiten aan te passen. Een aantal leden heeft inmiddels contracten met zorgverzekeraars gesloten, maar een groot aantal nog niet. MEER GGZ verzoekt om de tariefbeschikking 2026 te schorsen en te bepalen dat de huidige tarieven voor het jaar 2025 (volgens de tariefbeschikking TB/REG-25608-02) van toepassing zullen blijven, vermeerderd met de gebruikelijke indexatie voor 2026.
Wanneer dat verzoek wordt toegewezen, zal vervolgens zo nodig een civiel kort geding worden gevoerd om te bereiken dat de zorgverzekeraars alsnog voor de huidige -in 2025 geldende- tarieven zullen contracteren. Dat civiele korte geding zal ook worden gevoerd voor die leden van MEER GGZ die al -onder protest- contracten hebben gesloten tegen de nieuwe tarieven.
Volgens de NZa is geen sprake van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het door Deloitte uitgevoerde onderzoek bevat namelijk veel fouten en onjuiste aannames en daardoor heeft MEER GGZ niet overtuigend onderbouwd dat de continuïteit van de bedrijfsvoering van haar leden in het geding is. Ook heeft een aanzienlijk aantal van de leden van MEER GGZ -ongeveer de helft- al contracten met zorgverzekeraars gesloten. Het is weliswaar mogelijk om een civiel kort geding te voeren nadat de contracten met de zorgverzekeraars al zijn gesloten, maar dan is er toch minder spoedeisend belang dan wanneer dat niet zo is.
De voorzieningenrechter overweegt dat de situatie voor de leden van MEER GGZ niet wezenlijk verschilt van de zorgaanbieders op wiens verzoek om voorlopige voorziening bij uitspraak van 10 november 2025 is beslist. Ook voor de leden van MEER GGZ geldt dat wanneer het voeren van een bezwaarprocedure en vervolgens eventueel een beroepsprocedure tegen de tariefbeschikking 2026 zal leiden tot hogere tarieven, het zeer lastig zal zijn om de met de zorgverzekeraars gesloten contracten aangepast te krijgen. De leden van MEER GGZ zullen daarvoor hoogstwaarschijnlijk eerst een procedure moeten voeren bij de burgerlijke rechter. Verder geldt ook voor de leden van MEER GGZ dat zij al vier jaar zorg hebben verleend voor tarieven waarin volgens de uitspraak van het College van 22 augustus 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:570) te weinig indirecte tijd was verdisconteerd. De zorgverzekeraars hebben vervolgens geweigerd om met terugwerkende kracht nabetalingen te verrichten vanwege de naar aanleiding van deze uitspraak door de NZa herijkte tarieven. Anders dan de zorgaanbieders op wiens verzoek om voorlopige voorziening bij uitspraak van 10 november 2025 is beslist, hebben de leden van MEER GGZ onderzoek laten doen door Deloitte naar hun financiële situatie vóór en na de invoering van de tariefbeschikking 2026 om hun stellingen over de negatieve impact van de nieuwe tarieven op (de continuïteit van) hun bedrijfsvoering nader te onderbouwen. Hoewel op het rapport van Deloitte het nodige valt af te dingen, ziet de voorzieningenrechtereen voldoende mate van spoedeisend belang om tot een inhoudelijke beoordeling van de betrokken belangen over te gaan.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
4 Een onderzoek in de voorzieningenprocedure is naar zijn aard beperkt. Deze procedure leent zich niet voor een integrale beoordeling van de rechtmatigheid van de tariefbeschikking 2026 die gebaseerd is op een inhoudelijk complex kostprijsonderzoek. Om het verzoek om een voorlopige voorziening te kunnen toewijzen, zal in beginsel sprake moeten zijn van een situatie waarin de voorzieningenrechter -ook zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten of het recht- de kans groot acht dat het bezwaar op een of meer van de door de zorgaanbieders in deze voorlopige voorzieningenprocedure aangevoerde gronden zal slagen.
5 MEER GGZ heeft aangevoerd dat de tariefbeschikking 2026 evident onrechtmatig tot stand is gekomen doordat de door de NZa toegepaste indexering van de loonkosten in de ggz-sector in de periode van 2023 tot en met 2026 op basis van de OVA (Overheidsbijdrage in Arbeidskostenontwikkeling) onvoldoende rekening houdt met de werkelijke stijging van de loonkosten in die periode op basis van CAO-afspraken. MEER GGZ stelt de OVA als zodanig niet ter discussie, maar voert aan dat sprake is van een objectieve en significante ontwikkeling die de NZa bij de vaststelling van de tarieven niet had mogen negeren. In de ggz-sector heeft namelijk een inhaalslag plaatsgevonden voor wat betreft de lonen van het personeel. Omdat de lonen in de ggz-sector waren achtergebleven ten opzichte van de lonen in andere sectoren zijn er in de CAO’s voor de periode van 2023 tot en met 2026 diverse loonsverhogingen en secundaire arbeidsvoorwaarden voor de ggz-sector vastgelegd. Uit het rapport van Deloitte blijkt dat het verschil tussen de indexering op basis van de OVA en de indexering aan de hand van de daadwerkelijke loonkostenontwikkeling in de ggz-sector op basis van de CAO’s (inclusief de secundaire arbeidsvoorwaarden) voor de periode 2023-2026 oploopt tot een verschil van 9,6 procentpunt voor het jaar 2026 en dat de NZa de tarieven voor 2026 met 7,1% zou moeten verhogen om dat verschil op te heffen.
Deloitte heeft alle loonsverhogingen en secundaire arbeidsvoorwaarden doorgerekend. Bij de secundaire arbeidsvoorwaarden gaat het om periodieke verhogingen binnen functiegroepen, de verhoging van het vakantiegeld, de aanvulling van het ouderschapsverlof tot 100%, het vervallen van aanloopschalen, de verhoging van het balansbudget en de invoering van een jubileumuitkering. Voor alle berekeningen is uitgegaan van een gemiddeld bruto maandsalaris van € 6.000,-. Voor de periodieke loonsverhogingen is de gemiddelde stijging per periodiek op basis van de loontabellen en de verwachte functiemix berekend als 2,96% per periodiek. Dit is gecorrigeerd met factor van 2/3 omdat MEER GGZ verwacht dat per jaar 2/3 deel van de werknemers een hogere periodiek bereikt. Hierbij is rekening gehouden met werknemers die de hoogste periodiek al hebben bereikt en met vervanging van personeel door jongere werknemers. De verwachte loonkostenstijging vanwege de periodieke loonsverhogingen wordt daarmee 2/3 x 2,96% = 1,97%. Voor de kosten van de jubileumuitkering is ervan uitgegaan dat jaarlijks 10% van de werknemers het vijfjarig werkjubileum bereikt waarvoor de werkgever een gratificatie van 25% van het bruto maandsalaris van € 6.000,- moet uitbetalen. Dat betekent voor de werkgever een jaarlijkse loonkostenstijging van 0,18%.
Doordat de tarieven 7,1% te laag zijn vastgesteld zijn deze niet kostendekkend.
MEER GGZ stelt zich daarnaast op het standpunt dat de door de NZa uitgevoerde impactanalyse van de nieuwe tarieven onvolledig is geweest, omdat daaruit niet naar voren komt dat ggz-instellingen met een tariefdaling te maken krijgen die tot gevolg heeft dat zij niet meer kostendekkend kunnen opereren.
De NZa benadrukt dat de voor 2026 vastgestelde tarieven zijn gebaseerd op een uitgebreid, zorgvuldig en gedegen kostprijsonderzoek over het jaar 2023. Ook als juist zou zijn dat de loonkosten van het personeel na 2023 fors zijn gestegen, dan betekent dit nog niet dat dit één-op-één zou moeten doorwerken in de tarieven. MEER GGZ heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar gestelde loonkostenontwikkeling ook daadwerkelijk leidt tot hogere kostprijzen per prestatie voor het jaar 2026 dan waarmee de NZa rekening heeft gehouden.
De NZa stelt zich verder op het standpunt dat de loonkostenontwikkeling adequaat wordt gedekt door de OVA, hoewel de OVA niet steeds onmiddellijk in de tarieven doorwerkt. Bij de vaststelling van de tarieven voor 2026 is de voorlopige OVA van 4,24% toegepast. De definitieve OVA voor het jaar 2026 wordt pas in de tarieven voor 2027 verwerkt. De overheid, zorgverzekeraars en zorgaanbieders hebben zich aan deze manier van indexeren gecommitteerd. De NZa heeft in dit verband gewezen op het “Convenant over de nieuwe aanpak voor de bepaling van de OVA voor het VWS-veld”, het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het door haar uitgebrachte document “Handvatten Contractering en Transparantie gecontracteerde zorg”.
Volgens de NZa bevat het rapport van Deloitte een aantal fouten en onjuiste aannames. Bij de berekening van de loonstijgingen volgens de CAO’s heeft Deloitte blijkens de tabel op p. 10 van haar rapport een indexering van 104,8% toegepast op de loonkosten van 2023, maar omdat in het kostprijsonderzoek alle werkelijke loonkosten van 2023 zijn meegenomen, moet de index over dat jaar 100 zijn. Deloitte heeft ten onrechte 3 x een indexering van 1,97% toegepast vanwege het bereiken van hogere periodieken door 2/3 van de werknemers in 2024, 2025 en 2026. De NZa vindt het onrealistisch dat 2/3 van de werknemers in de ggz per jaar een hogere periodiek bereikt. Bovendien houdt de berekening van Deloitte er geen rekening mee dat er ieder jaar oudere werknemers (in een hoge periodiek) met pensioen gaan en worden vervangen door jonge(re) medewerkers in een lagere periodiek. Wat betreft de jubileumuitkering vindt de NZa het onrealistisch dat jaarlijks 10% van de werknemers het vijfjarig werkjubileum bereikt. De NZa vindt het realistischer om van 5% uit te gaan.De NZa heeft een nieuwe berekening gemaakt waarbij de index voor 2023 op 100 is gezet (zodat wordt uitgegaan van de gerealiseerde loonkosten over 2023), de verhoging van 3 x 1,97% vanwege het bereiken van een hogere periodiek is weggelaten en de verhoging vanwege het bereiken van het vijfjarig werkjubileum is bijgesteld naar 0,09%. Uit die gecorrigeerde berekening blijkt dat de indexering op grond van de CAO-afspraken lager is dan de indexering die de door de NZa op basis van de OVA heeft toegepast.
Ook de door Deloitte gemaakte impactanalyse bevat volgens de NZa een aantal fouten.
Deloitte heeft namelijk, zoals op p. 4 van het rapport van Deloitte is vermeld, geen rekening gehouden met de individuele afspraken die de leden van MEER GGZ met de zorgverzekeraars hebben gemaakt. Deloitte heeft de impact van de tariefbeschikking 2026 berekend door de tariefverlaging van ruim 9% voor de consulttarieven toe te passen op de totale opbrengsten van de leden van MEER GGZ uit 2023. Daarbij gaat Deloitte er ten onrechte van uit dat de gecontracteerde tarieven met hetzelfde percentage zullen wijzigen en zij verbindt daaraan ten onrechte de conclusie dat de door de NZa vastgestelde maximumtarieven niet kostendekkend zijn.
Verder heeft Deloitte de tariefverlaging ten onrechte ook toegepast op de omzet die de leden van MEER GGZ onder de Jeugdwet maken. De door de NZa vastgestelde tarieven hebben echter alleen betrekking op de Zorgverzekeringswet (Zvw). De tarieven voor de prestaties onder de Jeugdwet zullen naar alle waarschijnlijkheid niet dalen, maar stijgen. Wanneer de omzet onder de Jeugdwet niet wordt meegenomen, valt het door Deloitte berekende negatieve resultaat veel minder negatief uit.
Ten slotte voert de NZa aan dat Deloitte in haar impactanalyse de tariefverlaging van ruim 9% ten onrechte toepast op de volledige omzet onder de Zvw, terwijl die tariefverlaging alleen geldt voor de zorgverlening in de settings 2 en 3. Voor sommige zorg -zoals de levering van verblijfsdagen- is zelfs sprake van een tariefstijging. Dat wordt door Deloitte echter genegeerd.
7 In haar brief van 4 december 2025 heeft MEER GGZ op de reactie van de NZa gereageerd. Volgens MEER GGZ volgt uit de tabel op p. 9 van het rapport van Deloitte met de verschillenanalyse tussen de OVA-indexering en de CAO-indexering dat Deloitte bij die analyse is uitgegaan van het gemiddelde jaarloon, waarin alle maanden even zwaar meetellen.
Wat betreft de door de NZa voorgestelde bijstelling van de indexering vanwege het bereiken van het vijfjarig werkjubileum is MEER GGZ van mening dat het effect van die bijstelling op de uiteindelijke uitkomst zeer klein is. MEER GGZ zal daarom niet verder op dat discussiepunt ingaan.
Wat betreft de periodieke verhogingen vindt MEER GGZ dat het reëel is om aan te nemen dat ieder jaar ongeveer 2/3 deel van de werknemers een periodieke stap maakt, omdat de ggz een groeiende sector is met veel jonge medewerkers. Door de hoge vacaturegraad is de onderhandelingspositie van die werknemers relatief sterk waardoor zij eerder instromen op een hogere schaal.
Omdat de aannames over de secundaire arbeidsvoorwaarden in de door Deloitte gemaakte analyse slechts een ondersteunend karakter hebben heeft Deloitte, voor zover de NZa toch een correctieberekening wil doorvoeren, een nieuwe analyse gemaakt waarin de eerdere aannames conservatiever zijn ingestoken. Daarbij is er onder andere van uitgegaan dat slechts de helft van de medewerkers ieder jaar een periodieke verhoging ontvangt. De eerder toegepaste verhoging van 3 x 1,97% is daarmee teruggebracht tot een verhoging van 3 x 1,48%. Deze nieuwe analyse leidt tot de conclusie dat de OVA-indexering nog steeds ongeveer 7,5 procentpunt (in plaats van 9,6 procentpunt) achterblijft bij de CAO-loonkostenontwikkeling. Daarmee is volgens MEER GGZ nog steeds sprake van een objectiveerbare en significante ontwikkeling.
De voorzieningenrechter stelt vast dat MEER GGZ geen bezwaar maakt tegen de door de NZA op basis van het kostprijsonderzoek naar het prijsniveau van 2023 berekende kostprijzen. MEER GGZ maakt ook geen bezwaar tegen de manier waarop de NZa de aan de hand van het prijsniveau van 2023 berekende tarieven conform de beleidsregel Tariefopbouw prestaties in de geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg heeft geïndexeerd aan de hand van de definitieve OVA 2024, de definitieve OVA 2025 en de voorlopige OVA 2026. De (enige) reden waarom de tariefbeschikking 2026 volgens MEER GGZ onrechtmatig is, is dat volgens MEER GGZ sprake is van een objectiveerbare en significante ontwikkeling omdat er in de ggz sprake is geweest van een ingrijpende loonkostenontwikkeling waardoor er een groot verschil is ontstaan tussen de daadwerkelijke loonkosten die in het jaar 2026 voor rekening van de werkgevers komen en de loonkosten waarmee de NZa door middel van de indexering op basis van de OVA in de tarieven 2026 rekening houdt.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de NZa terecht heeft aangevoerd dat het rapport van Deloitte fouten, onduidelijkheden en ongemotiveerde aannames bevat.
De voorzieningenrechter heeft twijfels bij de juistheid van de conclusie van Deloitte dat het mediaan netto-resultaat van de leden van MEER GGZ zal afnemen van +2% in 2023 naar -6,1% in 2026. De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende. Deloitte heeft eerst de daling van de tarieven berekend. Volgens p. 6 van haar rapport zijn de 2026-maximum-tarieven vergeleken met de (geïndexeerde) 2025-maximumtarieven. In de toelichting op p. 6 is vermeld dat de grootste tariefdaling zichtbaar is bij de consulten, die tarieven dalen volgens Deloitte namelijk met gemiddeld 9,1%. Uit het rapport blijkt echter niet precies hoe die tariefdaling is berekend. Op p. 6 is weliswaar vermeld dat de 2026-maximumtarieven zijn vergeleken met de 2025-maximumtarieven, maar onduidelijk is of Deloitte bij die vergelijking is uitgegaan van de 2025-maximumtarieven die hebben gegolden tot eind november 2024 (tegen welke tarieven de meeste zorgaanbieders gecontracteerd zullen hebben) of van de 2025-maximumtarieven die de NZa eind november 2024 als gevolg van de uitspraak van het College van 22 augustus 2024 heeft verhoogd. Verder heeft Deloitte bij haar vergelijking geen rekening gehouden met de tarieven waarvoor in werkelijkheid is gecontracteerd. Deloitte is klaarblijkelijk ervan uitgegaan dat wanneer de maximumtarieven met 9,1% dalen, de gecontracteerde tarieven ook met 9,1% zullen dalen.
Tot slot heeft Deloitte, blijkens de toelichting op p. 7 van haar rapport, de veronderstelde tariefdaling van 9,1%, die is gebaseerd op een vergelijking van de tarieven voor consulten onder de Zvw, toegepast op de volledige omzet van de leden van MEER GGZ uit 2023, inclusief andere prestaties dan consulten onder de Zvw en inclusief de omzet onder de Jeugdwet. Dit geeft een vertekend beeld, omdat voor andere prestaties dan consulten de tariefdaling minder groot is, of zelfs sprake is van een tariefstijging, en omdat voor de omzet onder de Jeugdwet waarschijnlijk geen sprake is van een verlaging van de tarieven.
De voorzieningenrechter heeft ook twijfels bij de juistheid van de conclusie van Deloitte dat het verschil tussen de OVA-indexering en de CAO-indexering 9,6 procentpunt bedraagt, of tenminste 7,5 procentpunt zoals volgens MEER GGZ volgt uit een nieuwe, conservatiever ingestoken analyse van Deloitte, die overigens niet is overgelegd.
Uit de tabellen op p. 10 van het rapport van Deloitte volgt dat Deloitte in haar berekening ervan is uitgegaan dat voor het jaar 2023 voor de OVA een index gehanteerd zou moeten worden van 104,8. Omdat in het kostprijsonderzoek reeds alle loonkosten uit het jaar 2023 zijn meegenomen, vindt de voorzieningenrechter dat uitgangspunt niet juist. De door Deloitte ten onrechte voor 2023 gehanteerde index van 104,8 werkt echter ook door voor de jaren erna. Deloitte komt mede daardoor in haar analyse uit op een cumulatieve index van 125,8 (9,6 procentpunt hoger dan de OVA van 116,2 voor dezelfde periode) of in de nieuwe conservatievere analyse op een cumulatieve index van 123,7 (7,5 procentpunt hoger dan de OVA).
Verder plaatst de voorzieningenrechter net als de NZa vraagtekens bij de aanname dat de kosten voor de werkgevers in de ggz in 2024, 2025 en 2026 met (tenminste) 1,48% toenemen omdat (tenminste) de helft van het aantal medewerkers in de ggz ieder jaar een hogere periodiek bereikt. Deloitte heeft deze aanname in haar rapport niet onderbouwd. MEER GGZ heeft in het verzoek om een voorlopige voorziening toegelicht dat de jaarlijkse periodieke verhogingen behoren tot de (nieuwe) afspraken uit de CAO GGZ 2025-2026. Blijkens de CAO GGZ 2021-2024 waren de jaarlijkse periodieke verhogingen ook al in de vorige CAO opgenomen. Omdat bij de vaststelling van de kostprijs op basis van het kostprijsonderzoek over het jaar 2023 reeds alle loonkosten zijn meegenomen, inclusief de extra kosten in verband met het bereiken van hogere periodieken, valt zonder een nadere toelichting niet in te zien dat de loonkosten voor de werkgevers in verband met het bereiken door medewerkers van hogere periodieken in de jaren daarna steeds met (tenminste) 1,48% per jaar toenemen. Met de toelichting in de brief van 4 december 2025 heeft MEER GGZ naar het voorlopig oordeel nog steeds onvoldoende onderbouwd dat de jaarlijkse periodieken tot dergelijke extra loonkosten voor de werkgevers leiden. MEER GGZ heeft haar stellingen namelijk niet met cijfers onderbouwd. Onduidelijk is hoeveel werknemers het einde van hun salarisschaal al hebben bereikt, hoeveel werknemers op afzienbare termijn met pensioen zullen gaan en vervangen zullen worden door jongere, goedkopere werknemers en ook in hoeverre het juist is dat veel jonge medewerkers meteen al in een hogere schaal of periodiek instromen. Als sprake is van zoveel jonge medewerkers als MEER GGZ in haar brief van 4 december 2025 stelt, kan ook worden afgevraagd in hoeverre het juist is dat Deloitte bij de berekening van de kosten voor alle secundaire arbeidsvoorwaarden steeds uitgaat van een bruto maandsalaris van € 6.000,-.
De voorzieningenrechter sluit niet uit dat de lonen voor het personeel in de ggz na het jaar 2023 met een hoger percentage zijn gestegen dan de OVA, maar de berekening van Deloitte bevat teveel fouten en onjuiste aannames voor de conclusie dat sprake is van een enorm “gat” tussen het door de NZa vastgestelde tarief en de daadwerkelijke kosten die de zorgaanbieders in de ggz maken. Omdat loonstijgingen niet meteen in de OVA en de tarieven doorwerken, maar daar enige tijd tussen zit, zullen loonstijgingen overigens nooit precies gelijk oplopen met de OVA. MEER GGZ heeft in deze voorlopige voorzieningenprocedure niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een objectieve en significante ontwikkeling waarmee de NZa rekening had moeten houden. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat MEER GGZ haar stellingen in de bezwaarprocedure nader zal uitwerken en kwantificeren en dat de NZa daarop vervolgens nader zal ingaan. Op dit moment echter moet het ervoor worden gehouden dat de OVA voldoende dekking biedt voor de loonkostenontwikkeling.
Daarbij komt dat MEER GGZ niet aannemelijk heeft gemaakt dat de tariefdaling waar zij tegen opkomt is veroorzaakt doordat de daadwerkelijke loonkosten teveel uit de pas zijn gaan lopen met de OVA. MEER GGZ heeft verzocht om de tariefbeschikking 2026 te schorsen en te bepalen dat de huidige tarieven voor het jaar 2025 van toepassing zullen blijven, vermeerderd met de gebruikelijke indexatie, maar in de tarieven voor het jaar 2025 is volgens de stellingen van MEER GGZ ook al onvoldoende rekening gehouden met de daadwerkelijke gestegen loonkosten. Naar het voorlopig oordeel lijken de lagere tarieven voor 2026 (vooral) het gevolg te zijn van het feit dat in het kostprijsonderzoek over het jaar 2023 van lagere kostprijzen is gebleken. Tegen dat kostprijsonderzoek heeft MEER GGZ geen bezwaar gemaakt.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar van MEER GGZ weinig kans van slagen heeft en er bestaat om die reden geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De NZa hoeft geen proceskosten te betalen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
De voorzieningenrechter is verhinderd w.g. J.M.M. Bancken
deze uitspraak mede te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op: