ECLI:NL:CBB:2025:686

ECLI:NL:CBB:2025:686, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 09-12-2025, 23/1902

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 09-12-2025
Datum publicatie 06-01-2026
Zaaknummer 23/1902
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2023:9460

Samenvatting

Varken ongeschikt voor voorgenomen transport. Verdere matiging boetebedrag wegens toepassen interne werkinstructie minister.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1902

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

9 december 2025

Voorzitter: mr. W.J.A.M. van Brussel

Griffier: mr. E.M.M.A. Driessen

Zittingsgriffier: J. Bustin

Partijen

[de vervoerder] B.V., te [woonplaats] ( [de vervoerder] ), waarvoor geen aanwezigen op de zitting zijn verschenen

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (minister), vertegenwoordigd door mr. M.M. de Vries en mr. J. Knols

Beslissing

Het College:

- veroordeelt de minister in de proceskosten van [de vervoerder] in hoger beroep tot een bedrag van € 907,-.

Overwegingen

1 Op 3 december 2021 heeft de minister aan [de vervoerder] een boete opgelegd van € 7.500,- (boetebesluit) omdat [de vervoerder] een varken heeft vervoerd dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport. Uit het rapport van bevindingen dat door de toezichthouder is opgemaakt blijkt dat het varken zich niet op eigen kracht pijnloos voort kon bewegen.

Volgens de minister heeft [de vervoerder] daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8, van de Regeling houders van dieren, en gelezen in samenhang met artikel 3, aanhef en onder b, en artikel 6, derde lid en bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en 2, onder a, van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten (Transportverordening).

Met het besluit van 9 maart 2022 (beslissing op bezwaar), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het bezwaar van [de vervoerder] tegen het boetebesluit ongegrond verklaard en de boete gehandhaafd.

De rechtbank heeft het beroep van [de vervoerder] op 12 oktober 2023 gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de boete betreft, de beslissing op bezwaar in zoverre vernietigd, het boetebesluit herroepen en de hoogte van de boete vastgesteld op € 6.750,- (ECLI:NL:RBROT:2023:9460).

De rechtbank heeft het boetebedrag gematigd, omdat de minister op de zitting naar voren heeft gebracht dat hij inmiddels een interne werkinstructie hanteert waarin boetes worden gematigd als er meer dan zeven maanden zijn verstreken tussen het moment van de overtreding en het aanzeggen van de boete. Het toepassen van de eigen werkinstructie zou in het geval van [de vervoerder] leiden tot een matiging van 10%. Deze matiging heeft de rechtbank toegepast.

2 De in hoger beroep door [de vervoerder] aangevoerde gronden slagen niet. Desondanks vernietigt het College de aangevallen uitspraak voor zover het de hoogte van de boete betreft en stelt het boetebedrag vast op € 5.625,-. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. De redenen hiervoor zijn als volgt.

Er liggen aan het bewijs van de overtreding, anders dan [de vervoerder] stelt, geen verhoren van medewerkers of vertegenwoordigers van [de vervoerder] ten grondslag. De beroepsgrond dat ten onrechte geen cautie in de zin van artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht is gegeven en niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand, faalt daarom al.

[de vervoerder] is ook niet belemmerd in haar verdediging door de late toezending van het boetevoornemen. [de vervoerder] heeft niet duidelijk gemaakt waaruit deze belemmeringen hebben bestaan.

De toezichthoudend dierenarts heeft voldoende onderbouwd dat en waarom het varken vanwege een kwetsuur niet vervoerd had mogen worden. [de vervoerder] heeft dit ook niet bestreden.

De norm van artikel 6.3 van de Transportverordening richt zich tot de vervoerder. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat [de vervoerder] als vervoerder deze norm heeft overtreden.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat [de vervoerder] een overtreding heeft gepleegd en dat de minister bevoegd was daarvoor een boete op te leggen.

[de vervoerder] heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de kosten van het bezwaar niet hoeven te worden vergoed door de minister. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op zitting is duidelijk geworden dat de werkinstructie op het moment van het nemen van het boetebesluit en de beslissing op bezwaar nog niet gold. Het boetebesluit is gelet hierop in beroep dan ook niet herroepen wegens een aan de minister te wijten onrechtmatigheid. Het oordeel van de rechtbank dat de kosten van bezwaar niet hoeven te worden vergoed is dus juist.

Op de zitting heeft de minister het College gewezen op nog een andere interne werkinstructie die hij sinds juli 2025 hanteert. Op basis van deze werkinstructie wordt het boetebedrag gematigd indien er meer dan 37 weken zitten tussen de dagtekening van het rapport van bevindingen en het boetebesluit. In het geval van [de vervoerder] zitten er 41 weken tussen de dagtekening van het rapport van bevindingen en het boetebesluit en zou het boetebedrag gelet op deze werkinstructie met 10% moeten worden gematigd. De minister heeft het College verzocht deze matiging toe te passen.

In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen met het voornemen tot boeteoplegging van 22 oktober 2021. Op het moment van deze uitspraak is vier jaar en bijna twee maanden verstreken. De redelijke termijn van vier jaar, die bij bestraffende zaken als deze geldt, is dus met bijna twee maanden overschreden. Het College zal gelet op de overschrijding van de redelijke termijn het boetebedrag verder matigen met 5%.

Matiging van de boete vanwege de werkinstructie en de overschrijding van de redelijke termijn leidt tot een boetebedrag van € 5.625,-.

Omdat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd bestaat er aanleiding om de minister te veroordelen in de kosten die [de vervoerder] in hoger beroep heeft gemaakt. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, waarde per punt € 907,- en wegingsfactor 1). Voor een afzonderlijke vergoeding voor het verzoek in hoger beroep om de boete te verlagen wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat geen aanleiding, omdat er al proceskosten worden vergoed in hoger beroep en er geen kosten zijn gemaakt voor het betreffende verzoek.

Nu de aangevallen uitspraak wordt vernietigd, draagt het College de minister op om het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548,- aan [de vervoerder] te vergoeden.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. W.J.A.M. van Brussel E.M.M.A. Driessen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?