COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
beslissing op het wrakingsverzoek van
[naam] , te [woonplaats] ( [naam] ).
beslissing
zaaknummer: 25/240
Procesverloop
[naam] heeft een verzoek gedaan om wraking van mr. R.W.L. Koopmans, die als voorzieningenrechter van het College de zaak met nummer 25/240 behandelt.
[naam] heeft op 20 maart 2025 verzocht een voorlopige voorziening te treffen naar aanleiding van het besluit van 17 maart 2025 van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Bij dit besluit heeft de minister aan [naam] een last onder dwangsom opgelegd.
Met de brief van 28 maart 2025 is [naam] ervan in kennis gesteld dat mr. Koopmans het verzoek om een voorlopige voorziening op woensdag 2 april 2025 om 10:30 uur ter zitting zal behandelen.
Bij brief van 28 maart 2025 heeft [naam] het wrakingsverzoek ingediend.
Bij brief van 1 april 2025 heeft mr. Koopmans te kennen gegeven niet in de wraking te berusten en meegedeeld af te zien van de mogelijkheid om door de wrakingskamer te worden gehoord. Van de gelegenheid om schriftelijk op het verzoek te reageren, heeft hij geen gebruik gemaakt.
De zitting was op 1 april 2025. [naam] is niet verschenen.
Overwegingen
1. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert (de subjectieve toets). Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak, de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn (de objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is hierbij echter niet doorslaggevend.
2 Ter onderbouwing van zijn standpunt dat mr. Koopmans niet zonder vooringenomenheid over zaak 25/240 kan oordelen, wijst [naam] op zijn eerdere uitspraak van 1 augustus 2023 in zaak 23/1395 (ECLI:NL:CBB:2023:420). In deze uitspraak heeft mr. Koopmans volgens [naam] duidelijk en op een zeer kwalijke manier blijk gegeven van partijdigheid. [naam] stelt dat zij al acht jaar een rechterlijke uitspraak probeert te krijgen over de ‘roverspraktijken’ van Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw). De uitspraak van mr. Koopmans komt er volgens [naam] op neer dat zij zich deze praktijken moet laten welgevallen en als deze later onterecht blijken eventuele schade via de civiele rechter kan verhalen. Tot dit oordeel kwam mr. Koopmans op basis van de onbegrijpelijke overweging dat “als de onderneming haar planten op de door Naktuinbouw voorgeschreven wijze aanmeldt en laat toetsen en keuren op kwaliteits- en fytosanitaire normen, zij haar planten in het handelsverkeer mag (blijven) brengen en deze planten niet zullen worden vernietigd.” Met deze uitspraak stelt mr. Koopmans Naktuinbouw boven de wet. Immers, de door “Naktuinbouw voorgeschreven wijze” betreft volgens [naam] enkel teeltmateriaal en niet boomkwekerij, niet zijnde teeltmateriaal.
3 De eerdere betrokkenheid van mr. Koopmans bij de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening van [naam] rechtvaardigt naar het oordeel van de wrakingskamer niet de vrees van [naam] voor zijn partijdigheid. Het feit dat een rechter een eerdere zaak van een partij heeft behandeld, brengt niet met zich dat hij geacht moet worden volgende zaken waar deze partij bij betrokken is niet meer zonder vooringenomenheid te kunnen beoordelen.
4 De grond voor wraking die [naam] aanvoert, komt erop neer dat zij zich niet inhoudelijk kan verenigen met de beslissing van mr. Koopmans dat geen sprake is van onverwijlde spoed die noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening in afwachting van de bodemprocedure. Deze grond levert naar het oordeel van de wrakingskamer geen zwaarwegende aanwijzing op voor de schijn van vooringenomenheid of partijdigheid. Wraking is niet bedoeld om als rechtsmiddel tegen een eerdere uitspraak te worden gebruikt.
5 Het verzoek om wraking wordt daarom afgewezen. De behandeling van de zaak met nummer 25/240 door mr. R.W.L. Koopmans als voorzieningenrechter zal worden voortgezet. Deze zaak zal worden behandeld ter zitting op woensdag 2 april 2025 om 10:30 uur.
Beslissing
Het College wijst het wrakingsverzoek van 28 maart 2025 af.
Aldus genomen door mr. S.C. Stuldreher, mr. H.O. Kerkmeester en mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2025.
w.g. S.C. Stuldreher w.g. C.G.M. van Ede
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.